Aan informatica-ingenieur mankeert nogal wat, ze hebben geen overzicht
(door Bert Groenman)
'Gek genoeg zijn in ons huis jong afgestudeerde informatica-ingenieurs niet altijd de meest begeerde sollicitanten. Ten opzichte van hun HBO- collega's hebben ze meestal niet zoveel meer te bieden, terwijl hun carriereverwachtingen veel hoger liggen. Jonge ingenieurs hebben er vaak moeite mee dat ook zij onder aan de ladder moeten beginnen: gewoon als trainee. Hun opleiding is weliswaar wat breder, maar ze zijn vaak ook minder praktisch inzetbaar dan de HBO'er. Gewone kern-informatici, daar worden er ruimschoots voldoende van opgeleid. We hebben veelmeer mensen nodig met zicht op de samenhang van automatiseringsvraagstukken binnen een complex bedrijf. Bedrijfskundigen bijvoorbeeld met een flinke brok informatica in hun studiepakket. Die zijn beter bruikbaar dan ingenieurs met vier jaar puur informatica'.
Eckart J. Wintzen (47) spreekt uit ervaring, maar tekent wel aan alleen het informatica-veld te kunnen overzien. Hij is de oprichter en algemeen directeur van BSO/ Buro voor Systeemontwikkeling, met een hoofdvestiging in Utrecht en geen onbekende in de informaticabranche. BSO is een sterk groeiend softwarehouse dat aan overheid en bedrijfsleven diensten levert op het gebied van automatisering en informatieverwerking. Het bedrijf ontwerpt en bouwt geautomatiseerde systemen voor productiebeheer en verwerking van administratieve gegevens, procesbesturing en ruimtevaartprojecten.
In 1986 groeide de netto-omzet met 55% tot ruim f 104 miljoen. In totaal werd dat jaar 3,3 miljoen gespendeerd aan opleiding en training waarmee 5,4 % van de werkbare uren was gemoeid. Het percentage werknemers dat omzag naar een andere baan bedroeg slechts 1,9 en de ziekte-uitval bleef beperkt tot 3 ,1 %. Het gros van de 700 werknemers waaronder 200 ingenieurs van verschillendé kunne, is academisch geschoold. Om de groei te kunnen bijhouden voerde BSO vorig jaar een twee miljoen golden kostende recruteringscampagne, die na intensieve selectie 240 nieuwe medewerkers opleverde, uit 3000 sollicitaties. Wintzen is onder meer lid van de Technisch Wetenschappelijke Adviesraad, een adviesorgaan van de minister, en bestuurslid van de School voor Bestuurlijke Informatiekunde van de Katholieke Universiteit Brabant. Daarnaast is hij lid van de commissie- Dekker, die begin mei minister De Korte van advies zal dienen over het te voeren technologiebeleid in Nederland.
Naklank
Wintzen brengt in herinnering hoe Philips een jaar of vijfentwintig geleden met computers begon. De tijd van de eerste software, de architectuur, de operating-systemen, de compilers. Er was een schreeuwend tekort aan mensen op dat vlak, kerninformatici dus. 'We hebben nu hooguit te maken met de naklank van die periode. want kern-informatici zijn er zo langzamerhand genoeg. Je ziet ook dat de vacatures in de grote computerbladen, Computable is wat dat betreft de grootste op dit moment, veranderen. Aan de nieuwe academici worden andere eisen gesteld. Hun kennis gaat niet meer een generatie mee. Er wordt op dit moment nog te veel aandacht besteed aan de technische zijde van de automatisering en informatica. De net afgestudeerde informaticaingenieur hoeft vaak een macht aan kennis van de verschillende bouwstenen, zoals databases, operating systems, compilers etc. Ik zou denken dat sommige collega- bedrijven zoals Volmac juistere gesteld zijn op kennis van die basiselementen, maar ik zie het anders. Onze voorkeur gaat uit naar ingenieurs die ook geleerd hebben informatica in een ander perspectief te zien. Kennis van bepaalde bouwstenen leren ze nog wel in de praktijk. Liever zelfs dan op de universiteit, temeer omdat ze daar nog wel eens zaken leren die in de praktijk al lang achterhaald zijn. Dat hoeft natuurlijk ook te maken met het feit dat de kennis van de docerende hoogleraren niet altijd voldoende aan de praktijk wordt getoetst. Het ontbeert de ingenieurs aan een sophisticated platform dat hen in staat stelt in een waanzinnig complexe omgeving als bijvoorbeeld een bank of een verzekeringsmaatschappij met visie en creativiteit applicaties te ontwikkelen.'
Sociale vakken
Wintzen benadrukt in dit verband veel belang te hechten aan wat hij noemt 'sociale vakken' in het curriculum. Psychologie, linguïstiek, organisatiekunde, sociologie zitten er aan te komen, voorspelt hij. 'Als daar binnen een technische universiteit op gekort zou worden, is dat pure waanzin. Ze zijn essentieel voor een later functioneren binnen een team of een project.' De BSO-directeur wil best toegeven dat hij eigenlijk meer heeft aan een ingenieur die een vak heeft geleerd en zich daarnaast delen van de informatica heeft eigen gemaakt, dan pure informatici.
Bedenkingen
Bij het functioneren van de universiteit in het algemeen wenst Wintzen trouwens toch zo zijn kanttekeningen te plaatsen en zegt die ook te uiten in de commissie- Dekker. Vooruitlopen op de inhoud van het in mei uit te brengen advies wil hij niet. Hij noemt het een eervolle functie en een leerzame exercitie die sterk blikverruimend werkt. Maar er zijn ook handicaps: de club waarin ook, zoals bekend, de Twentse rector Van den Kroonenberg zitting heeft, is wel erg groot (inclusief adviseurs en secretariaat een man of zestien) en daardoor minder wendbaar en kost erg veel tijd. Ook op samenstelling is in de media kritiek geuit. Niet geheel ten onrechte volgens Wintzen, die eveneens van oordeel is dat het midden- en kleinbedrijf, die toch gezamenlijk goed zijn voor tweederde van de industriële werkgelegenheid in Nederland, is ondervertegenwoordigd. Wintzen is als directeur van een middelgrote onderneming de enige uit die sector, terwijl de multinationals present zijn met Dekker (Philips), Loudon (AKZO), Wijffels (Rabo) en Kaptein (Océ). 'De invloed van het advies van de commissie moet u, denk ik, niet overschatten. Dergelijke rapporten worden door de politiek eerst wel in een paar duizend mootjes worden gehakt voordat er iets mee gebeurt. `Natuurlijk komen de universiteiten in het stuk voor, evenals alle andere schakels die van belang zijn in het gehele proces van de technologie. Als je erover nadenkt, blijkt zowat alles in Nederland daar mee te maken te hebben.'
Integratie
Voor Wintzen, die zichzelf omschrijft als een uiterst praktisch ingesteld man, staat vast dat de universiteiten dienstverlenende instanties dienen te zijn die voortdurend met de afnemers van hun producten, de markt dus contacten moeten onderhouden. Daar ontbreekt het op dit moment nogal aan. Hij zegt wel mogelijkheden te zien om de integratie universiteit/ bedrijfsleven meer inhoud te geven. Van de hoogleraren bijvoorbeeld vraagt hij zich af of het zinvol is dat die voor het leven worden benoemd. Een periode van hooguit vijf jaar komt hem wenselijker voor. Na die tijd zou bekeken moeten worden of het gedoceerde vak de moeite waard is om te handhaven. Wintzen: 'In het negatieve geval zou de betrokken professor moeten vertrekken naar waar hij vandaan komt, de industrie, en vervangen moeten worden door een verse kracht wiens vakgebied maatschappelijk relevanter is'. Recyclen noemt Wintzen dat. 'Dat mechanisme zal de kans op kwaliteitsbugs sterk verminderen, want die kan je je in de beperkte vierjarige opleiding echt niet veroorloven. De meeste hoogleraren zullen overigens hens wel herbenoemd worden. Daarnaast dient het aantal buitengewoon hoogleraren sterk te worden uitgebreid. Een formele interface tussen bedrijf en universiteit bereik je verder ook door het bedrijfsleven frequenter te consulteren en -oud- studenten te betrekken bij een jaarlijkse doorlichting van het curriculum. Het gaat er niet om dat wij het studiepakket samenstellen, dat is onze taak niet maar dat we een 'say' krijgen.'
Hoogleraar
Hoewel zijn blik op de universiteit door wat hij zelf noemt initiatieven waarnemingen wordt gekenmerkt stelt Wintzen vast dat de hoogleraar, van wie het allemaal moet komen, klem zit. Zijn image wordt steeds stoffiger en zijn salaris verschilt een handbreedte met dat van topfunctionarissen in het bedrijfsleven. Terwijl dat de mensen zijn waar de universiteit een deel van zou willen rekruteren. Wintzen: 'Hoogleraren zouden veel meer baantjes buiten de deur moeten hebben. Schnabbels waar ze beter van worden, privé of voor de vakgroep, dat kan me niet schelen, maar dan krijgen ze tenminste iets voor hun inspanningen en houden tegelijk meer voeling met de markt'. Het image van de universiteit mag ook wel beter, vindt Wintzen, die er ooit (in Leiden) enige tijd wis- en natuurkunde studeerde maar die studie niet afmaakte. 'Universiteiten treden te weinig naar buiten. De interieurs zijn vaak onverzorgd en soms zie je al aan de portier hoe de klepel er bij hangt. Het wordt tijd dat de universiteiten zich ook gaan meten aan de standaards in de industrie, waar men gasten niet ontvangt in een verveloos hok met kapotte stoelen en waar een receptie gewend is de bezoekers hoffelijk verder te helpen.'
Toch ziet Wintzen de technische universiteit ('de naam th dekt de lading veel beter') als een ideaal instituut, waar hij zelf best had willen studeren, maar dat zich wel voortdurend moet oriënteren op zijn kwaliteit. 'Ik weet dat het waanzinnig moeilijk is om van opleidingsinstituten de kwaliteit te meten. Een van de parameters zou kunnen zijn: hoeveel afgestudeerden komen er echt aan de bak. Je zou 'es een paar lichtingen at random kunnen terughalen om dat te meten.'
Informatica-universiteit
De binnenkort in Den Haag te starten informatica-universiteit noemt Wintzen een goed initiatief dat zeker een kans verdient. Hij noemt het een beetje flauw dat sommigen de opleiding te hobby-achtig vinden. 'Het programma ziet er best aardig uit en ook de kosten (50 mille verdeeld over twee jaar) vindt hij meevallen.
'Het salaris van een vent die zo'n cursus volgt meet je doorbetalen, dus zeg maar dat 't je als werkgever een ton of twee kost. Voor Shell of Unilever is dat wellicht prima te doen. Voor ons niet, dit soort opleidingen past minder in ons concept. Bovendien zouden we investeren in mensen, waarvan we niet weten hoe lang ze nog bij ons blijven en met bindende contracten ga je natuurlijk niet werken. Als de informatica-universiteit mensen aflevert die een brug kunnen slaan tussen de techniek en het bedrijf, is de opzet geslaagd. Wij, bij BSO, geven er de voorkeur aan de mensen in de praktijk op te leiden'.

