Aanpassingsproces grootste rem op technologische ontwikkeling
"Het duizelt je als je weet wat er nog mogelijk is aan technologische ontwikkelingen. Als alle mogelijkheden van de technologie die er nu is, zouden worden benut, krijg je een gigantische versnelling een explosieve ontwikkeling van ideeën en apparatuur. Het heeft echter zijn tijd nodig om te worden ontwikkeld, op de markt te komen. De worden geaccepteerd en zich in te passen in dat wat er al is. En dat is de grootste remmer op nieuwe technologie".
Deze constatering, "die zo moeilijk is uit te leggen", doet Eckart J. Wintzen. Hij is president van het in Utrecht gevestigde BSO/Buro voor Systeemontwikkeling en zal in zijn maandelijkse column voor deze krant zijn licht laten schijnen over onder meer de maartschappelijke en economische gevolgen van de technologische ontwikkelingen, het informatica beleid van de overheid, alsmede de visie binnen de industrie op het economische beleid in ons land.
Volledige benutting van de huidige technologie zou volgens Wintzen leiden tot een enorme versnelling van toepassingen en ideeën over nieuwe apparatuur. "De ene toepassing lokt namelijk ogenblikkelijk de volgende toepassing uit. In een aantal gevallen geeft dat een sneeuwbaleffect".
Tegelijkertijd is nog met iedereen of iedere situatie rijp voor deze expansie. "Ieder nieuw product moet worden ingebed in zijn omgeving. Zoals een Steen die in het water valt. Het water moet zich uiteindelijk aanpassen aan die steen. Bij sommige producten volgt die aanpassing direct en zonder problemen, maar andere producten hebben een gewenningstijd nodig in hun omgeving".
Volgens Wintzen moet iedereen de implicaties en complicaties van een technologische ontwikkeling hebben begrepen, voordat deze tot volledige ontplooiing en benutting kan worden gebracht. Maar daar zit tegelijkertijd ook de beperkende factor. "De remmingen komen van alle kanten. Het is te beperkt om te zeggen dat de samenleving niet klaar is voor bepaalde ontwikkelingen. Het komt van de mens zelf, zijn historie, alles wat hij met zich meedraagt.
Aan de andere kant vinden binnen de laboratoria gigantische versnellingen plaats, want juist door de aanwezigheid van een bepaalde technologie kan iets anders weer gemakkelijker worden gemaakt en ontwikkeld. Als we de technologie - van bijvoorbeeld chips - nu stil zouden zetten, zal de ontwikkeling nog zeker tien jaar voortrollen, omdat we telkens weer nieuwe dingen bedenken die we er mee kunnen doen".
Werkgelegenheidsproblematiek
Haast furieus is de reactie van Wintzen als voorzichtig wordt aangegaan op het vraagstuk van dit decennium: de gevolgen van de technologische ontwikkelingen voor de werkgelegenheid. "Dat vind ik helemaal geen heet hangijzer. Je hebt hier te maken met een denkfout, namelijk dat de mensen alleen dat zouden willen wat er tot op heden werd geproduceerd. Een mens is onverzadigbaar. Van de consumptiekant kun je in een mens stoppen wat je maar wilt, want hij is echt absoluut onverzadigbaar".
En dit verband wijst Wintzen nog op een tweede ontwikkeling die gaande is en die maakt dat hij de werkgelegenheid niet als heikele kwestie ziet. "Een stuk dienstverlening. Dat begint weer op gang te komen en de overheid moet dat ook stimuleren. Niet alleen computers zijn er de oorzaak van geweest dat er hanen vrijkwamen. Veel banen zijn verloren gegaan, omdat we geen zin meer hadden om ervoor te betalen. Juist door de bijna verslavende behoefte aan materiele zaken die er hij mensen is, zijn we banen kwijtgeraakt. Daarmee hebben we onze eigen dienstverlening afgesneden. We hebben liever het product tegen discount, dan dat we ons ermee laten bedienen. We gaan liever naar de super-supermarkt, dan dat we de melkboer langs laten komen. Dat is een minstens even grote factor bij het verdwijnen van arbeidsplaatsen als de automatisering is".
"De denkfout die gemaakt is", zo vervolgt Wintzen, "is dat als de nieuwe technologie niet meer werkt het aan die technologie ligt. De juiste denkwijze moet zijn: we hebben die technologie, die vormt een inbreuk op onze samenleving en als we niets doen kost dat banen en brengt het schade toe aan onze samenleving, omdat het bestaande evenwicht wordt verstoord. Dat evenwicht moet je herstellen, niet door de nieuwe elementen - zoals automatisering - te weren, maar door die nieuwe elementen op creatieve wijze in te passen, Automatisering brengt iets nieuws: lot, gemak, communicatie en allerlei dingen die we gewenst hebben, maar brengt ook andere, vervelende, dingen met zich mee. Dus mocht je een oplossing zoeken voor die dingen die verkeerd zijn gegaan".
Een essentiële voorwaarde moet hierbij worden vervuld, meent Eckart Wintzen: "We moeten bereid zijn na te denken of de mechanismen die we op de maatschappij hebben losgelaten nog geldig zijn in de nieuwe toestand. Dat is met zekerheid niet het geval. Op ieder terrein loopt de regelgeving van de maatschappij achter bij de mogelijkheden van de technologie. Daarmee geef ik tegelijk een indicatie van de rot van de overheid - en ik wens de overheid daarbij veel wijsheid toe, want ik weet ook niet precies hoe de oplossing is - in de nieuwe situatie; zij moet met de regelgeving inspelen op de ontwikkelingen en zo trachten die aanpassing te bewerkstelligen".
Fascineren
Wintzen's belangstelling voor computers en alles wat daarmee samenhangt., werd in de jaren zestig gewekt na het lezen van een boekje over dit onderwerp. "Dat heeft me zeer gefascineerd. Die computers zag ik haarscherp zitten". Inmiddels is Wintzen dan ook tot de conclusie gekomen dat een studie aan de Technische Hogeschool in Delft een betere keuze zou zijn geweest dan de studie - die hij weliswaar na vijf jaar heeft afgebroken - theoretisch wis- en natuurkunde in Leiden, die hij begon nadat hij in Den Haag het gymnasium had doorlopen. Na zijn diensttijd heeft Wintzen dan ook een werkkring gezocht in de computerbranche.
Zijn loophaan vertoont vanaf die tijd "het verloop van een conjunctuurgolf van 2,5 jaar". Na 2,5 jaar bij Philips te hebben gewerkt, volgde een zelfde periode binnen de Europese ruimtevaart, "toen een van de grootste gebruikers van computers". Ook hier vond Eckart Wintzen niet wat hij zocht, "ik had iets spannenders verwacht". Door zijn contacten met software-leveranciers kwam ik op het idee om "op commerciele wijze met software om te gaan". Nadat hij - opnieuw gedurende een periode van 2.5 jaar - voor een Britse software-leverancier in Zwitserland een dochteronderneming van de grond had getild en vervolgens enkele jaren over de wereld had gezworven, maakte Wintzen halverwege de jaren zeventig een begin met het huidige onderneming BSO/Buro voor Systeemontwikkeling; in eerste instantie een dochteronderneming van een West-Duitse onderneming, later overgenomen door een Amerikaans concern en in 1976 uitgekocht door Wintzen.
De basis van het bedrijf ligt bij de dienstverlening het adviseren over er bet ontwerpen, ontwikkelen en implementeren van software voor zowel administratieve (tweederde gedeelte van de activiteiten van BSO) en industriële toepassingen. Voor het runnen van zijn bedrijf heeft Wintzen een "uniek concept" bedacht, waarover hij gedreven - haast vol vervoering - het een en ander kwijt wil. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat "een meerderheid van de werknemersfluitend naar kantoor moet gaan. Een onderneming loopt alleen goed als de mensen gedreven zijn. Dat is een essentieel stuk van onze bedrijfsfilosofie".
Bedrijfscultuur
Medewerkers mochten volgens Wintzen het resultaat van hun werk en inspanningen kunnen zien. BSO, met in totaal circa 500 werknemers, bestaat daarom uit vijftien ondernemingen - "overzichtelijke clubjes van circa dertig tot vijftig mensen" - met elk een eigen directeur. De vijftien ondernemingen moeten wel de huisstijl vasthouden. Ze zijn herkenbaar, maar toch verschillend. Ze moeten wel op elkaar lijken, anders kun je de clubs niet bij elkaar houden. Ik ben er heilig van overtuigd dat zonder een geïnspireerde bedrijfscultuur een mediocre business ontstaat met een mediocre levensduur".
Wintzen weerlegt zonder moeite de problemen die kunnen ontslaan binnen een onderneming met een groot aantal directeuren, met ieder een eigen verantwoordelijkheid. "Als ze hun profit halen en kwaliteit leveren mogen ze van mij". En al heeft hij "geen mathematische bewijzen" dat ook werkelijk de vereiste kwaliteit wordt geleverd, toch twijfelt Wintzen daar niet aan. "Een directeur is meestal al een jaar of vijf bij ons en vertrouwd gemaakt met onze filosofie, waarin de dienstverlenende mentaliteit minstens zo belangrijk is als de technologische kwaliteit. Mist hij die dienstverlenende mentaliteit dan heeft hij vanuit de perceptie van de klant onvoldoende kwaliteit geleverd".

