ECKARTS NOTES. Click here to read more and order!

De financier als kwaaie pier

Nov 02, 1996 (Fem , Harmen Keiser )

Starters van bedrijven klagen steen en been, het is zo moeilijk geld te krijgen. Toch staan er best financieringskanalen voor ze open. Maak kennis met de informal investor.

Door Harmen Keiser

Uitgever Robert Rubinstein heeft er z'n buik vol van. Participatiemaatschappijen, ooit bedoeld als financiële vullers van gaten die de banken open lieten, maken zich doorlopend schuldig aan een bankiershouding: alleen cijfertjes tellen. Verder duurt het allemaal zo verschrikkelijk lang voordat de participatiemaatschappijen een beslissing nemen. "Bij veel van die bedrijven krijg je doorlopend 'misschien' te horen, telkens moet je je businessplan bijstellen. Ze willen heel lang met je op de bank vrijen, maar niet met je naar bed."

En dat terwijl Rubinstein toch echt kan wijzen op enig succes bij het ondernemerschap. Zo gaf hij in de jaren tachtig het blad Fiets uit, dat hij voor een goede prijs aan VNU wist te verkopen. Daarna, begin jaren negentig, wilde hij het kookblad Menu opzetten. Participatiemaatschappijen deden heel moeilijk en kwamen pas na veel vijven en zessen over de brug. En dan nog in een mengvorm: via een lening met een veel te hoge rente en een participatie waarbij ze de aandelen tegen een zeer lage prijs wilden hebben. De boosdoener is de ABN Amrobank die de lening wilde verstrekken in combinatie met het risicokapitaal van ABN Amro MKB Fonds. Rubinstein: "Normaal is dat een participatiemaatschappij je aandelen koopt of een achtergestelde lening verstrekt. De combinatie lening en aandelen geeft je het gevoel dat er een soort animositeit wordt geschapen. De financier staat niet naast je, ze willen verdienen door een hoge rente. Typisch een bankhouding, zou ik zeggen".

Het blad Menu werd uiteindelijk geen succes, het ging op de fles. Iedereen was z'n geld kwijt. Vlak voor de zomer van dit jaar kwam Rubinstein met het blad Source op de markt. Ook hier probeerde hij geld los te krijgen van participatiebedrijven, maar door hun getalm zocht hij z'n heil bij zogeheten informal investors: rijke ex-ondernemers die toegevoegde waarde kunnen leveren door het inzetten van hun kennis en geld in nieuwe projecten.

Niks van gemerkt.

Maar ook over deze informal investors is Rubinstein nauwelijks te spreken. Rubinstein: ,Je hoort altijd dat informal investors meer risico's nemen dan participatiebedrijven, maar daar heb ik niet veel van gemerkt. Het verschil met participatiebedrijven is dat je bij informal investors met de persoon spreekt die ook de beslissing neemt. Ze zijn ondernemer geweest en beslissen sneller. Maar dat betekent nog niet dat ze ook een grotere risicobereidheid hebben. Ze zijn doodsbang voor starters, ook als je een track record hebt. Je bent in hun ogen gewoon weer een starter als je een nieuw project wilt opzetten. Ze komen pas makkelijker over de brug als je bedrijf al een paar jaar bestaat. Dan kun je immers cijfers tonen. Maar met cijfers uit het verleden kun je ook geld van de banken krijgen."

Nu heeft Rubinstein met het blad Source ook idealistische doelstellingen. Hij wil een maatschappij bevorderen waarin bedrijven alle kosten - niet alleen die van een goed personeelsbeleid, maar ook de milieukosten - in de prijs doorberekenen. Het blad is dan ook peperduur. Door dit uitgangspunt kon Rubinstein geld los krijgen van de gelijkgestemde Eckart Wintzen, die in de automatiseringswereld z'n geld heeft verdiend, en verder kwam ook de'groene' Triodos Bank via eigen fondsen met geld over de brug. Rubinstein ontkent niet dat ideële motieven een rol hebben gespeeld bij zijn financiers, "Maar ook deze financiers willen geld verdienen."

Ook Ed Peijs, directeur-aandeelhouder van de winkelketen in onder andere kunstschildersmaterialen Van Beek Art Supplies, merkt dat informal investors nu niet bepaald staan te popelen om geld te steken in starters. Zo negatief als Rubinstein is hij echter niet. "De starter moet erg sterk in zijn schoenen staan en een zeer goed beleidsplan hebben. Als het even kan, moet het iets inventiefs betreffen. Dan is de informal investor bereid te investeren. Maar het blijft voor de starter heel moeilijk. Alleen met een zeer goed onderbouwd verhaal heeft de starter een kans. De kansen stijgen als je je sporen hebt verdiend, als je al wat in je rugzak hebt. Maar ja, dan ben je geen starter meer, maar eenjonge onderneming en dat is iets anders.

Maar bij een keuze tussen participatiebedrijf en informal investor kiest Peijs liever voor de laatste. Die staat er opener tegenover. De informal investor durft makkelijker geld te steken in een bedrijf dat 'meetbaar' wat bewezen heeft met zijn produkten en zijn positie op de markt. Het nadeel van het in zee gaan met de informal investor is volgens Peijs dat deze zich voortdurend met de gang van zaken bemoeit, terwijl het participatiebedrijf veelal achteraf - via de periodieke cijfertjes - een oogje in het zeil houdt.

Hier is natuurlijk tegenin te brengen dat dat op je vingers gekeken worden ook een ondersteuning kan zijn. De informal investor wordt immers niet voor niets aangeprezen als de ondernemer die ondernemers vanuit zijn eigen ervaring goed kan begeleiden. Dit in tegenstelling tot participatiemaatschappijen die zich steeds inftexibeler zouden opstellen tegenover het ondernemerschap. Achterat een oogje in het zeil houden komt aardig in de buurt van de manier van werken van een bankier, terwijl juist ondernemerschap wordt gevraagd bij het verstrekken van risicokapitaal.

In het februarinummer van het blad Familie Bedrijf komt de bedrijfsadviseur Rien de Vreugd aan het woord die geen spaan heel laat van het veronderstelde ondernemerschap bij participatiemaatschappijen. "De mensen die het bij participatiemaatschappijen voor het zeggen hebben, vinden in eerste instantie alles leuk en interessant. Dan zeggen ze toe het te gaan bekijken en hoor je een hele tijd niks. Vervolgens kom je in het stadium dat je voor elke vijf gulden aan participatie een kilo formulieren moet inleveren. Ze stellen steeds weer andere vragen. Die mensen zijn gewoon niet terzake kundig, hebben geen ervaring, staan te ver af van de praktijk en de investment managers die je tegenover je krijgt zijn veelal knapen van hooguit dertig jaar die hun eigen kantoor niet uitkomen. Je kunt toch niet beslissen vanachterjebureau!"

Inderdaad laten participatiemaatschappijen de starter veelal links liggen - daar worden toch alleen maar negatieve rendementen behaald - en concentreren ze zich liever op volwassen bedrijven die te maken hebben met een opvolgingsproblematiek, of waar zich mogelijkheden voordoen van managementbuy outs en dito buy ins. Allemaal zaken waar in één klap grote bedragen op tafel moeten worden gelegd en dat komt de participatiemaatschappij juist zo goed uit. Het zijn immers grote, logge en bureaucratische organisaties geworden, met een grote kostenpost die als 'overhead 'door het leven gaat. Elke transactie kost veel mensuren en is daarom duur. Per transactie moet een groot bedrag kunnen worden weggezet, anders is het niet lonend.

Hoe anders gaan informal investors te werk! "lnformal investors stoppen ook werk in transacties," zegt Ben Lacor van Nebib in Maarssen, een bedrijf dat als intermediair vraag en aanbod van risicokapitaal bij elkaar brengt. "Maar het verschil is dat zij die kosten niet als kosten hoeven te zien en ze die kosten ook niet jegens anderen hoeven te verantwoorden. Dat stelt hun in staat met kleinere bedragen per transactie te werken "

Fondsenbeheerders.

Lacor ziet participatiemaatschappijen zeker niet als ondernemers - "vraag maar eens naar hun cv's" - maar als 'fondsenbeheerders'. "Daar is niets mis mee, maar daardoor zijn ze uit op een andere doelgroep, een die een groter bedrag per transactie mogelijk maakt. Het speelveld voor de informal investor zit daar onder. Daar zijn de risico's moeilijker in te schatten, maar dat kan de investor omdat hij zelf ondernemer is geweest."

Toch weet ook Lacor dat de informal investor z'n vingers niet zo gauw aan de starter zal branden. Iemand die alleen nog maar een idee heeft, kan eigenlijk enkel geld krijgen uit z'n eigen directe omgeving. Lacor noemt dat 'sponsorgeld'. Lacor: "De informal investor wil liever een echt zakelijk voorstel, waar de ondernemer reeds op klanten kan wijzen, hij wil geen wilde gooi doen. Dat laatste is gauw het geval bij een echte starter, dan moet de informal investor op zijn intuitie afgaan en dat doet hij niet graag."

Hans van Heertum, via zijn Bedrijvenbank eveneens betrokken bij het bij elkaar brengen van vraag en aanbod van risicokapitaal, meent echter dat informal investors wel degelijk het risico van het investeren in starters aandurven.

Het probleem van starters ligt volgens hem vooral in het opsporen van de voor hem geschikte investeerders. "De participatiemaatschappij staat in de Gouden Gids, maar de informal investor staat nergens, heeft vaak niet eens een kantoor," zegt hij. "Kijk maar hoe snel er op mijn twee hele kleine advertenties begin oktober in de Telegraaf is gereageerd. Binnen enkele dagen kreeg ik 34 goed doortimmerde businessplannen van starters binnen. Ik ben ervan overtuigd dat zeer veel hiervan z'n weg zal weten te vinden naar de informal investors met wie ik in verbinding sta."

Het probleem van starters zal wel altijd blijven dat ze niet op cijfers kunnen terugvallen. Ze moeten zich nog helemaal bewijzen. Het valt de financier dan ook niet te verwijten dat hij er moeite mee heeft te beoordelen welk businessplan echt iets voorstelt en welk op drijfzand is gebaseerd. Alleen ondernemerservaring kan hier uitkomst bieden. Daarom kunnen de starters meer verwachten van informal investors dan van participatiemaatschappijen. Verhalen dat ook informal investors het hier laten afweten, zijn dan ook teleurstellend.

Wel kunnen we hoop putten uit het investeringsgedrag van Theo Vermeulen, die inmiddels in zes bedrijven heeft geïnvesteerd, waaronder één starter. "Als ex-ondernemer heb je meer durf en staar je je niet blind op cijfertjes als bijvoorbeeld de solvabiliteit," meent hij.

Arnout Boot, hoogleraar ondernemingsfinanciering aan de Universiteit van Amsterdam, ziet hetvoorde starters niet zo somberin. In een column onlangs in het economenvakblad ESB schrijft hij dat hij ervan overtuigd is dat ook participatiemaatschappijen "hun toegevoegde waarde voor startende ondernemingen zullen (her)vinden". Als hij gelijk krijgt, dan moet het toch mogelijk zijn talloze starters van de grond te tillen, vooral nu er steeds meer intermediairs actief zijn op de marktvan het risicokapitaal.

» Article index