ECKARTS NOTES. Click here to read more and order!

DE MOEIZAME OPKOMST VAN DE MARKT VOOR HUISHOUDELUK WERK

Apr 02, 1994 (Elsevier )

Tijdgebrek

Vraag en aanbod zijn er. Toch wordt de groei van de markt voor persoonlijke dienstverlening belemmerd door een aantal factoren. Zoals het feit dat het brutoloon van het nettoloon moet worden betaald. Maar ook omdat huishoudelijk werk een laag aanzien heeft en we als de dood zijn dat de werkster rondslingerende vieze sokken of remsporen in de wc aantreft.

ANNELOES TIMMERIJE

Wie veel verdient, heeft doorgaans weinig tijd. Wie veel tijd heeft, ontbreekt het vaak aan voldoende geld. Volgens het toekomstscenario van het Sociaal en Cultureel Planbureau zal zich in de komende decennia een scherpe tweedeling aftekenen tussen mensen met geld maar geen tijd en mensen met tijd maar zonder geld.

Die tendens is nu al zichtbaar in de groep tweeverdieners en huishoudens met topinkomens, de zogenaamde 'zwoegende elite', die haar tijd vooral besteedt aan goed betaalde banen buitenshuis. Anderzijds lopen de kansen op de arbeidsmarkt voor bijvoorbeeld vijftigplussers en werkzoekenden zonder specifieke opleiding steeds verder terug. Door tijdgebrek groeit bij de eerste groep de vraag naar persoonlijke dienstverlening; 'de boel' komt immers niet vanzelf aan kant. De tweede groep heeft juist geldgebrek en zoekt aanvullende verdiensten. Volgens Van Kooten en De Bie is de tijd rijp voor Eenvoudige Banen.

Er lijkt inderdaad een markt te ontstaan voor persoonlijke dienstverlening. Vraag en aanbod zijn er. Toch wordt de groei van die markt vooralsnog belemmerd.

KONINKRIJKJE

Een factor is schaamte. Een van de eersten die dit signaleerde, was de Amsterdamse socioloog Abraham de Swaan. Het uitbesteden van huishoudelijk werk komt de moderne westerse mens te na aan het lijf, zo meent hij. In de huidige samenleving is het huis een koninkrijkje geworden, waarin derden zich niet vrijelijk mogen begeven. Terwijl nauwelijks nog een mens met de ogen knippert wanneer iemand op de buis vertelt wat hij of zij met wie doet in bed, stijgt het schaamrood ons naar de kaken als de hulp rondslingerende vieze sokken tegenkomt of remsporen in de wc-pot.

Die géne is er niet altijd geweest. Eind vorige eeuw was bijna de helft van de vrouwelijke beroepsbevolking werkzaam als huishoudster of 'meid', zo blijkt uit beroepstellingen van het CBS. Huispersoneel was niet iets om je voor te schamen, maar gaf juist status. Hoe meer personeel, des te hoger het aanzien. Als het maar even kon had men een 'meisje' in huis, al was het maar voor een paar uur per dag. Nu is de werkster eerder een sluitpost.

Sinds het vak van huishoudster bijna is uitgestorven, is het denken over het uitbesteden van huishoudelijke taken 180 graden gedraaid. Een hulp in de huishouding is o zo handig, maar wordt tevens als een inbreuk op de privacy gevoeld.

Bovendien is uitbesteding van huishoudelijk werk relatief duurder geworden. De huiver om iemand in dienst te nemen, is ook een centenkwestie. Het (zwarte) uurtarief van een hulp in de huishouding ligt, afhankelijk van de regio, tussen tien (platteland) en twintig gulden (grote steden). Wie een dag per week hulp wil, is jaarlijks zeker vierduizend gulden kwijt: niet iedereen kan het zich permitteren wekelijks een werkster over de vloer te hebben.

De 'koopkrachtige vraag' zit bij het kwart van de bijna zes miljoen huishoudens in Nederland, dat een hoofdkostwinner heeft die zeventigduizend gulden per jaar of meer verdient. Bovendien zijn er 1,7 miljoen huishoudens waarin beide partners een inkomen hebben. Opgeteld zijn dit 3,2 miljoen huishoudens, meer dan de helft dus, die zich op basis van hun inkomen huishoudelijke hulp(en) zouden kunnen veroorloven. Recente becijferingen van het CBS brachten aan het licht, dat vooral tweeverdieners ook werkelijk het huishouden uitbesteden. Zij hebben 2,5 tot zes procent hogere kosten dan alleenverdieners, vooral door het inhuren van hulp in de huishouding, kinderoppas en tuin- en kluspersonen. Voorts zijn er nog zo'n vijftigduizend eenouder-gezinnen die vaak noodgedwongen een beroep doen op een hulp.

TWEESLACHTIG BELEID

Omdat het werk zich grotendeels afspeelt in het zwarte of grijze circuit, valt nauwelijks te achterhalen hoeveel personen werkzaam zijn als hulp in de huishouding. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), die de arbeidsparticipatie in de jaren negentig in kaart bracht, schat het volume van zwarte arbeid ten behoeve van gezinnen (schilders, bijles, tuinonderhoud, oppas, enzovoorts) op ruim een miljard gulden per jaar. Het aandeel van huishoudelijke hulpen is met vijfhonderd miljoen gulden per jaar verreweg het grootst.

De econoom Marga Bruyn-Hundt, die onderzoek doet naar de waarde van huishoudelijk werk, zegt dat er wel degelijk een nieuwe markt voor persoonlijke dienstverlening aan het ontstaan is, maar ziet dat de groei daarvan onder andere wordt belemmerd door twee inkomenspolitieke factoren: de grote wig tussen het bruto- en netto-inkomen plus het feit dat het brutoloon voor huishoudelijk werk moet worden betaald uit een netto-inkomen. Op dit moment leidt dat alleen maar tot meer zwart werk. 'Als econoom zeg ik: alle werk is goed voor de economie, maar het is ook slecht, omdat er geen belasting en sociale premies worden betaald. En dat leidt weer tot een zwaardere collectieve lastendruk.'

Bruyn-Hundt pleit derhalve voor een verkleining van de afstand tussen bruto- en netto-inkomen, waardoor huishoudelijk personeel betaalbaarder wordt. Dit zal volgens haar ongetwijfeld leiden tot een grotere vraag naar huishoudelijke dienstverlening.

De overheid voert een tamelijk tweeslachtig beleid ten aanzien van tweeverdieners. Aan de ene kant worden vrouwen gestimuleerd om toe te treden tot de arbeidsmarkt. Maar als zij dat doen, vinden zij nauwelijks praktische of financiële steun bij het regelen van hun huishouden. De capaciteit voor kinderopvang is bijvoorbeeld nog verre van toereikend. Voor gesubsidieerde kinderdagverblijven gelden vaak ellenlange wachtlijsten. Vele ouders nemen derhalve hun toevlucht tot het circuit van oma's, tantes, gastouders of studenten. Deze verdiensten, in het WRR-rapport geschat op 137 miljoen gulden per jaar, blijven onzichtbaar voor de fiscus. Maar de zwarte situatie wordt gedoogd omdat witte alternatieven ontbreken. De oppasvergoeding voor vijf dagen per week in de gesubsidieerde kinderdagverblijven beloopt, afhankelijk van het inkomen, van negentig gulden tot 995 gulden per maand voor het eerste kind. Voor een tweede kind variëren die bedragen van negentig tot 259 gulden per maand.

Als mogelijke tegemoetkoming kan worden gedacht aan het aftrekbaar maken voor de inkomstenbelasting van de kosten voor oppas en hulp in de huishouding. De kans dat dit gebeurt, is uiterst gering omdat het huidige belastingregime er juist op gericht is, de mogelijkheden voor aftrekposten te verkleinen. Uitzondering hierop vormen kleine zelfstandigen met een bv, die de kosten voor kinderopvang kunnen aftrekken, omdat zij anders hun werk niet kunnen doen.

Maar de markt voor persoonlijke dienstverlening zou ook een impuls kunnen krijgen door de invoering van een nul-omzetbelasting voor huishoudelijke dienstverleners; niet alleen voor direct huishoudelijk werk, maar ook voor faciliteiten als glazenwasser, wasserij en kant-en-klaar-maaltijden.

De voor de bloei van deze potentiële groeimarkt noodzakelijke verkleining van de wig tussen het netto- en bruto-inkomen is een algemeen probleem dat samenhangt met de financiering van de verzorgingsstaat, en dat - zolang de burgers die staat niet kwijt willen niet een, twee, drie kan worden opgelost. Bovendien zouden de kosten van arbeid zeer veel omlaag moeten voordat 'wit' inhuren werkelijk aantrekkelijk wordt.

De Swaan stelt dat mensen altijd en overal behoefte hebben aan inspanningen van derden - vooral op het gebied van persoonlijke dienstverlening. Hij vindt het 'maatschappelijke verspilling' dat mensen in de moderne westerse samenleving niet in voldoende mate hulp inhuren vanwege de weerstand een ander dergelijk werk te laten doen en de hoge kosten die er aan verbonden zijn.

SLECHT IMAGO

BSO-baas Eckart Wintzen, die zich - sinds hij een aantal management-taken heeft gedelegeerd - profileert als denker over een beter milieu en een betere samenleving, ziet dit eveneens als een typisch westers probleem. Hij stelt dat onze cultuur zich zo heeft ontwikkeld, dat er nauwelijks belasting wordt geheven op materiaal en grondstoffen, maar des te meer op werk. 'Waar dat toe heeft geleid, is duidelijk: een ongelimiteerd gebruik van grondstoffen - met als gevolg een milieuprobleem- en een overschot aan personeel, want dat is te duur.'

Wintzen heeft een groot deel van zijn huishouden uitbesteed en betaalt het huispersoneel zwart. Ook hij wijst op het grote verschil tussen het bruto- en netto-inkomen en datje in feite twee keer belasting betaalt als je een brutobedrag uit een nettoloon moet halen. 'We hebben onszelf in een rare situatie gemanoeuvreerd. Officieel mag je niet zeggen: "Hier heb je twee geeltjes, doe dat even voor me." Maar ik vind datje elkaar best mag matsen.'

De aard van huishoudelijk werk, dat sinds jaar en dag gebukt gaat onder een slecht imago, is eveneens een belemmerende factor. Schoonmaakwerk wordt geassocieerd met kansarmen in de samenleving, zoals allochtonen. Volgens beroepspoetser Cemsto is het aandeel allochtone werknemers in het personeelsbestand een vrij nauwkeurige afspiegeling van de bevolking; ongeveer zeventien procent. Bij de randstedelijke vestigingen liggen de verhoudingen anders. Daar is de helft van het personeel van niet-Nederlandse afkomst.

Historica Barbara Henkes schreef samen met Hanneke Oosterhof het boek Kaatje ben je boven?, over het leven en werken van Nederlandse dienstbodes tussen 1900 en 1940. Volgens haar is de geringe status van huishoudelijk werk tegenwoordig niet alleen het gevolg van een slechte betaling, maar het komt ook doordat hulpen in de huishouding hun werk meestal alleen, zonder collega's, doen.

In de tijd dat huishoudster een vak was, bestond er - vooral in rijke gezinnen met een uitgebreide personele staf - de mogelijkheid een soort carrière te maken. Iemand kon beginnen als 'meisje voor de dag' en opklimmen

HOE SCHOON IS SCHOON?

Poetsend Nederland consumeert volgens Unilever in totaal voor 43 miljard gulden per jaar aan schoonmaakproducten. Wat is eigenlijk schoon, vandaag de dag? De regels voor schoon en opgeruimd zijn in de afgelopen decennia veeleer verbonden met persoonlijke voorkeur dan dat er een maatschappelijke consensus over bestaat, zoals dat tot in de jaren zestig het geval was.

De historisch-socioloog Rineke van Daalen, die onderzoek doet op het gebied van hygiëne en het Nederlandse gezinsleven, zegt: 'Iedereen hanteert de principes die zij van hun moeder hebben geleerd als norm. Vooral vrouwen. Dat zit heel diep, hoor. Ik heb bijvoorbeeld altijd geleerd datje met het vaatdoekje niet ook de keukenvloer mag afnemen. Gebeurt het toch, dat gaat het doekje de was in. Dat leer ik mijn kinderen ook weer.'

Het verschil in schoonrnaaknormen wordt heel duidelijk als mensen gaan samenwonen. Dan blijkt dat heide partners elk vanuit een eigen aangeleerd principe handelen en dat is nog wel eens een bron van wrijvingen.

Oudere vrouwen stellen weer heel andere eisen dan jongere vrouwen. Vooral in bejaardenhuizen botsen twee generaties schoonmaaknormen met elkaar. De hulp vindt dat zij best om de tot hoofd van de huishoudelijke staf.

Er zijn nog wel een paar professionele huishoudsters in officieel dienstverband. Zij staan geregistreerd bij de bedrijfsvereniging Detam. Hun aantal neemt vooral de laatste jaren sterk af; van 3950 in 1990 tot 3090 eind vorig jaar. Het zijn mensen die hun werk serieus nemen: zo ontdekte Detam tijdens een recent onderzoek tot haar eigen verbazing, dat het ziekteverzuim onder huispersoneel zo goed als nihil is. Opmerkelijk voor een branche die hoog scoort op de top-10 van zware, eentonige arbeid. Het werk is nooit af, door gebrek aan collega's is het ongezellig, er is geen toekomstperspectief en de honorering is laag. Factoren die in andere bedrijfstakken oorzaak zijn van hoog ziekteverzuim, groot verloop en een hoog percentage werknemers dat op jonge leeftijd arbeidsongeschikt raakt. Klaarblijkelijk geldt dat niet voor de sector huishoudelijke hulp. Volgens de Detam heeft het lage ziekteverzuim alles te maken met plichtsbetrachting en betrokkenheid bij het werk.

Wat vinden hulpen in de huishouding van hun werk? Francien bijvoorbeeld, die zo'n tien uur per week andermans huishouden doet, vindt dat de belasting van huishoudelijk werk staat of valt met de mate van vrijheid waarmee je het werk kunt doen. 'Er zijn mensen die je voortdurend op de vingers kijken. Daar kan ik dus niet tegen.'

Francien vindt huishoudelijk werk leuk. Het geeft haar het gevoel dat ze daadwerkelijk hulp biedt; dat ze iemand aanvult. Bovendien is het goed te combineren met een gezin, omdat je de werktijden zelf kunt indelen. Als belangrijke voorwaarde voor een prettige werkkring noemt zij 'het in je waarde gelaten worden'. Francien en haar werkgever tutoyeren elkaar, 'gewoon, omdat we dat alletwee het plezierigst vinden'. Zij heeft een uitstekende verstandhouding met degene voor wie zij werkt, maar houdt zeer bewust een scheidslijn aan. Het blijft werk.

Francien en haar werkgever hebben het goed geregeld. Van tevoren afspraken maken over het werk en de arbeidsverhoudingen voorkomt misverstanden en teleurstellingen. De omgang met de werkster is niet voor iedereen even gemakkelijk. Is het bijvoorbeeld de bedoeling dat je de hulp uitnodigt op je verjaardag? En wat te denken van een vriendelijke werkster die je bij binnenkomst zoent? Wat doe je, als je dat niet prettig vindt?

Uit Kaatje ben je boven? blijkt, dat werkgeefsters van voor de Tweede Wereldoorlog dit soort problemen niet kenden. Afstand ten opzichte van personeel was toen heel gewoon. 'Mevrouw' bleef altijd 'mevrouw'. Dat werd niet alleen in stand gehouden door de werkgeefsters zelf. De meisjes die dienstbodes werden, leerden dat van huis uit.

AU PAIR

Sinds in de jaren zestig het klassenverschil zo goed als verdween, lijkt de verhouding tussen inhuurder en ingehuurde zo onduidelijk geworden dat zij een bron van onderlinge spanning kan zijn. De ene sociale klasse huurt niet meer als vanzelfsprekend de andere in. De werkster kan een studente rechten zijn of de moeder van een hoogleraar. Wiens moeder vroeger poetste, gaat niet meer vanzelfsprekend ook zelf uit poetsen, maar is bijvoorbeeld hoofddocent aan een universiteit.

Hiërarchische verhoudingen zijn op kantoor en in de fabriek nog steeds vanzelfsprekend, maar in de intimiteit van het eigen huis lijkt het gelijkwaardigsheidsprincipe zich slechter dan ooit te combineren met het hebben van personeel. In de egalitaire gezinsverhoudingen is afstand tussen werkgevers en huispersoneel kennelijk vreemd. Delegeren van taken wordt daar niet makkelijker op.

In 'Een Saartje uit Manilla' (Elsevier, 3-4-1993) werd duidelijk, dat een aantal Gooise en Wassenaarse huishoudens het 'dienstbode-probleem' oplost met een niet westerse 'au pair'. De meisjes komen graag, omdat de verdiensten volgens Filipijnse normen hoog zijn. Voor de Nederlandse gezinnen is de au pair-vergoeding van vijfhonderd gulden per maand een schijntje. Opmerkelijk is bovendien, dat de (blanke) Nederlandse werkgeefster veel minder moeite blijkt te hebben met het uitbesteden van huishoudelijke taken aan een niet-westerse vrouw.

Charlotte Lemmens, zelfstandig organisatie-adviseur en columniste, beschrijft in de bundel Waar gaan die beentjes naar toe? hoe zij als 'thuismanager' met haar (uitbestede) huishouden omgaat. Veel problemen rond het uitbesteden van huishoudelijke taken kan volgens Lemmens worden opgelost als - vooral vrouwen - eens stevig de hand in eigen boezem zouden steken. 'Ervaring leert me dat delegeren in het onderneminkje thuis op dezelfde manier werkt als in het bedrijfsleven.' Durven delegeren is het motto. Het is een vergissing, zegt Lemmens, om het geven van liefde synoniem te verklaren aan schoenen poetsen, bedden opmaken en veel aanwezig zijn. 'Mij bevalt een zo groot mogelijk mandaat aan een klein aantal mensen het best.'

Belangrijk bij het uitbesteden van het huis houden is, dat de taakopvatting van de ander past bij je eigen waarden en normen. Het zoeken naar de juiste personen vergt dan ook tijd.

Net als op kantoor moeten de verhoudingen duidelijk zijn. 'Over de manier waarop de was wordt gedaan, de kasten worden ingedeeld of over het merk stofzuiger dat wordt aangeschaft, wil ik niets te zeggen hebben.'

BARRIèRES

Een logische consequentie van delegeren, is accepteren dat de ander eigen gebruiken en gewoonten meeneemt. Het is even omschakelen, weet Lemmens uit eigen ervaring, maar het betaalt zichzelf terug in betrokkenheid en verantwoordelijkheidszin.

Als de voorspelling van het Sociaal en Cultureel Planbureau werkelijkheid wordt, zal de inkomensverdeling in de postindustrieel samenleving steeds meer gaan lijken op die van de niet-westerse wereld. De kloof tussen hoog gekwalificeerd, gespecialiseerd werk en de banen die minder gebonden zijn aan opleidingsniveau, zou dan eveneens groter worden. Een volwassen markt voor persoonlijke dienstverlening zou een logisch gevolg kunnen zijn, ware het niet dat er eerst barrières geslecht dienen te worden om de bestaande vraag en het bestaande aanbod beter op elkaar af te stemmen. De economische veranderingen die hiervoor nodig zijn, lijken zo ingrijpend, dat een eensluidend antwoord nog ver weg is.

» Article index