De nieuwe baas wil leuke mensen
In weinig landen wordt zo veel gepraat over de nieuwe werknemer en werkgever als in Nederland. Dat is ook logisch, want het is niet mis wat er hier gebeurt. De vakbeweging, eens met de kerk een van de belangrijkste pilaren onder de Nederlandse samenleving, brokkelt bijna even snel af als die kerk. De FNV heeft sinds 1979 150.000 leden verloren. De organisatiegraad die na de oorlog meestal 37 à 38 procent was, liep van 39% in 1979 terug tot 29 procent in 1986. Bovendien heeft de vakbeweging nauwelijks meer leiding: het aantal kaderleden is in een paar jaar tijd van 80.000 naar 16.000 gegaan.
In vergelijkbare landen als Duitsland en Zweden is nauwelijks spraken van een afkalving van de vakbond. Vandaar dat men hier speculeert over een nieuwe werknemer; jong, dynamisch en politiek onbevooroordeeld die zich binnen de FNV niet meer thuis zou voelen. Wie zoiets bij Piet Vos van de Industriebond FNV te berde brengt (algemeen beschouwd als het intellectuele geweten van de vakbeweging) ontmoet schouderophalen: "Zolang er nog geen nieuwe werkgever is wacht ik met belangstelling op de nieuwe werknemer."
Misschien is Eckart Wintzen een nieuwe werkgever. Zesenveertig jaar, algemeen directeur van Nederlands één na grootste software-bedrijf (BSO) en lid van het commissie-technologiebeleid (de commissie Dekker) die het kabinet adviseert over waar het technisch heen moet in Nederland. Wintzen is volgens zijn secretaresse zelfs op kantoor als hij flink griep heeft, hij neemt alleen maar mensen aan die hij leuk vindt al zijn ze nog zo goed ("lk doe het voor mijn lol en heb alleen zin om met leuke mensen samen te werken."), hij houdt van een informele werksfeer die best een tikje links georiënteerd mag zijn (hij zet zich af tegen concurrent Volmac door te stellen dat ze daar De Telegraaf lezen tegen "zijn" mensen de Volkskrant) en hij is nieuwsgierig. Op dat laatste is hij trots: "Dat houdt de maatschappij draaiende, nieuwsgierigheid. Een van de redenen waarom mensen nieuwe technologie willen, is nieuwsgierigheid."
Door de razendsnelle groei van de software branche telt zijn bankrekening veel nullen maar dat zegt hem weinig — "als ik maar leuk werk en leuk woon". Tien jaar geleden richtte hij het softwarehuis BSO op, dat zich heeft onderscheiden als een bedrijf dat niet alleen maar uitzendbureau is voor programmeurs en systeemanalisten maar zelf ook af en toe iets slims bedenkt — onder andere voor het beheer van de Oosterschelde-stormvloedkering en voor tal van toepassingen bij Philips. In 1974 bestond het bedrijf met drie man en 300.000 gulden omzet eigenlijk nog niet; in 1986 werkten er 600 man en had BSO een omzet van 100 miljoen gulden, waarvan 5 miljoen winst.
Wintzen heeft geen behoefte om in het steile puntje van een immense piramide te zitten. Hij heeft het bedrijf in verschillende zelfstandige eenheden opgesplitst die eens in de maand bij elkaar komen om te borrelen, te praten of te sporten. Om de zoveel regels heeft hij het over "dat lekkere familiegevoel". Een voortdurende zorg is het informele karakter te behouden in het snelgroeiende BSO. "Voor veel nieuwe mensen ben ik niet Eckart, maar de baas van de baas van de baas."
Van de vakbond is overigens vrijwel niemand lid bij BSO. Eckart Wintzen: "Voor een bedrijf als BSO heeft de vakbond geen 'goodies' in huis. Hier werkt een nieuwe generatie werknemers. De enige die ervoor kan zorgen dat zij fluitend naar kantoor gaan, ben ik. Niet de vakbond."
Simon Rozendael

