ECKARTS NOTES. Click here to read more and order!

De piramide op de schop

Jun 01, 2004 (OnderwijsInnovatie , Sanne de Roever, Sijmen van Wijk )

Betrokkenheid en een uitgekristalliseerde visie op het Nederlandse onderwijs, daar gaat het om. OnderwijsInnovatie sprak met Dr. Herman Wijffels, voorzitter van de SER en voormalig topman van de RABObank en Eckart Wintzen, hoofd chaos van Ex'tent, investeringsmaatschappij in groene projecten, oprichter en oud topman van automatiseringsbedrijf BSO. Vanuit geheel andere achtergronden en verantwoordelijkheden, de een bedachtzaam en de ander rebels, hebben deze 'toppers' uitgesproken opvattingen wat er met het Nederlandse onderwijs moet gebeuren om de toekomst voor de komende generatie veilig te stellen.

Verkeerde effiency

Het onderwijs in ons land heeft de afgelopen decennia veel veranderingen in een snel tempo voorbij zien trekken. Of dat ook altijd verbeteringen zijn geweest daarover verschillen de meningen. Eckart Wintzen ontwikkelde zijn BSO-model in dezelfde tijd dat de mammoetwet ingevoerd werd. "Met BSO was ik met het celmodel bezig. Tegelijkertijd zag ik al die scholen integreren en dacht wat zonde. Wat zonde dat vanuit een theoretisch gevoel van effiency unieke identiteiten met elkaar verbonden worden tot een kleurloze massa. In mijn businessmodel gaat het erom dat alles wat een duidelijke missie heeft en voldoende kritische massa, een overlevingskans krijgt om zelfstandig te opereren. Want dan haal je het meeste uit mensen. In mijn visie is kwaliteit de vijand van grootschaligheid, zeker op het gebied van onderwijs. Ik zag de middelbare scholen van mijn kinderen zo in elkaar schuiven en de kwaliteit bij wijze van spreken ter plekke naar beneden donderen. Dat is niet helemaal een echte waarneming maar mijn gevoel van binnen gaf dat aan. Dus ik vind het de meest jammere beslissing ever. Overigens is op zichzelf het idee van modulair onderwijs een fantastische gedachte."
Wijffels vult aan: "Ik denk dat terugkijkend op enkele decennia onderwijsvernieuwing de revenuen op z'n best uiterst bescheiden zijn. Als ik mij de vraag stel hoe verhoudt zich hetgeen mijn kinderen aan bagage hebben gekregen tot hetgeen ik had toen ik in 1959 van de HBS kwam dan vind het toch lastig om te zeggen dat zij minder geëquipeerd zijn dan ik toentertijd. Ik denk eerder het omgekeerde. In hun vakkenpakket zag ik veel zaken die ik pas in mijn 'propjes' kreeg. Er is dus wel progressie geboekt. Maar ik heb sterke aarzelingen over de vraag of dat aan de onderwijsvernieuwingen en -veranderingen te danken is. Het is bijna een evolutionair systeem dat een volgende generatie net een slagje verder kan springen dan de vorige. Verder sta ik zeer kritisch tegenover de schaalvergroting in het onderwijs. Ik definieer dat altijd als smalspoor effiency denken of industrieel effiency denken. De essentie is dat je kijkt naar de verhouding tussen input en output. In een industrieel proces waarbij je een grondstof omzet in een product is dat een fantastische maatstaf, maar in sociaal rijkere en gevoeligere productieprocessen zoals onderwijs ga je wezenlijke elementen negeren in die schaalvergroting. Is er nog een context waar je je nog thuis kunt voelen, waar je nog verbinding hebt met het geheel? Die zaken zijn naar mijn stellige overtuiging in verregaande mate genegeerd. Ik denk dat daar de kans gemist is om intelligente combinaties van grootschaligheid en kleinschaligheid te maken."

Organisatiepiramide

In iedere maatschappij zijn structuren te ontdekken. Het onderwijs wijkt meestal niet veel af van wat zich in de samenleving heeft ontwikkeld. Wijffels ziet in het industriële organisatieparadigma de basis van onze maatschappelijke orde. Dat industriële organisatieparadigma omvat enerzijds het maximaliseren tussen input en output, anderzijds gaat het ervan uit dat relatief weinig mensen creatief kunnen nadenken. "Veel mensen zijn alleen maar in staat om klakkeloos uit te voeren wat een ander van ze verlangt. Zo is de piramide als organisatievorm ontstaan. De piramide is het prototype van de industriële organisatievorm. Wat er in de loop van de twintigste eeuw is gebeurd, is dat onze hele maatschappij op die manier is ingericht, dus ook de overheid. Als je kijkt naar het onderwijsbeleid dan was dat een piramidale structuur. Bovenin op het ministerie van onderwijs zat een groepje mensen te bedenken wat er in het onderwijsveld moest gebeuren. We zien nu dat die piramides overal disfunctioneren en aan het desintegreren zijn."

Netwerkstructuren

Wijffels vervolgt: "De wereld waar we naartoe moeten is een wereld zoals Eckart Wintzen die al als pionier heeft vormgegeven, een wereld waarin je in netwerkstructuren denkt. Met binnen die netwerken knooppunten die een coördinerende functie vervullen en die als het ware de richting bepalen maar ook de ruimte geven waarbinnen de verschillende andere elementen in dat netwerk hun weg kunnen vinden. Het betekent dat je niet moet denken 'hoe kan ik vanuit de top zorgen dat er gebeurt wat ik wil'. Je moet mensen de ruimte geven vanuit de behoefte datgene te doen en te organiseren wat nodig is. Vertalen we dit naar het onderwijs dan moet je eerst de vraag stellen 'waar ligt de primaire legitimatie van een onderwijsinstelling?' In het piramidale model ligt die bij de landelijke politieke democratie. In het maatschappelijke model dat zich nu ontwikkelt, ligt de legitimatie primair bij het verzorgingsgebied van die onderwijsinstelling. Secundair legitimeert de politieke democratie in Den Haag, want daar komt de financiering vandaan. Maar in termen van waar bepaald moet worden wat die school en universiteit moeten doen, is dat dus niet op het departement. Feitelijk moeten de professionals en de gebruikers het doen. Dat is dus de omkering die nodig is en we moeten besluitvormingsregels maken waardoor diversiteit en variëteit geadresseerd kan worden. Dus je hebt een organische organisatiebeschouwing nodig, een overschakeling van het mechanistische naar het organische organisatieparadigma."
Wintzen: "We moeten ook anders leren kijken naar onderwijs. Als ik naar het onderwijs kijk dan zeg ik wake up, de tijd is veranderd je hoeft dingen niet meer uit je hoofd te leren, je kunt alles opzoeken via internet. Maar je moet wel kunnen nadenken, je moet verbanden leren zien. En verder natuurlijk hoe boei je kinderen? En niet dwingen maar boeien! Dat boeien heeft te maken met de vrijheid die je geeft aan een teacher. Ik was zo blij met mijn leraar Nederlands op het gymnasium. Daar heb ik geleerd hoe ik moet formuleren. Hij besteedde in de tweede, derde en vierde klas alle lestijd aan voorlezen. Hij heeft ons liefde voor het woord en de taal bijgebracht. Deze man was onze held. Gelukkig nam hij de vrijheid om deze invulling aan zijn lessen te geven en ik denk dat hij daar veel problemen mee heeft gehad.
En wat samenwerken tussen scholen betreft, je dwingt samenwerking niet van boven af, samenwerken doe je als je dezelfde doelstellingen en standaards hebt."

Meten

Het meten van de schoolresultaten is een ingewikkelde zaak meent Wintzen. "Puur stomme parate kennis is gemakkelijk te testen, maar daar gaat het niet meer om. Vroeger toen je nog geen naslagwerken in de vorm van internet had was een zekere mate van parate kennis noodzakelijk. Dat is niet meer zo, daardoor veel van de meetinstrumenten inmiddels achterhaald. In de tijd van BSO zeiden we: je moet de cellen wel hun gang laten gaan, hun eigen beslissingen laten nemen, onder de voorwaarde dat zij zich houden aan standaarden en kwaliteitsnormen. Die standaards worden bepaald door de hoogste instantie. En over de standaards wordt niet gediscussieerd maar dat wil niet zeggen dat die zij niet veranderlijk zijn, ze moeten wel met hun tijd meegaan. Voor het vaststellen van deze standaards is wel heel veel wijsheid vereist, vooral ook omdat zij op een hoog abstractieniveau moeten worden gedefinieerd. De eisen die we aan leerlingen en studenten stellen veranderen. Die zijn nu veel te statisch. Voor het vaststellen van deze standaards heb je eveneens het allerhoogste niveau van wijsheid nodig. Dat betekent diepgaand nadenken hoe die eindtermen tot stand komen en wie ze gaat bedenken. We moeten daar in een nieuwe vorm naar gaan kijken. We kunnen vaststellen dat wijsheid naar een eerder stadium van het leerproces moet worden getrokken. Dat die weggehaald moet worden bij de feitjes en dat leren denken in procesvormen naar binnengereden moet worden.
Om de kwaliteit van de opleidingsinstituten te monitoren ben ik voorstander van een meetsysteem waarbij bekend wordt gemaakt wat oud-leerlingen en oud-studenten van hun school en universiteit vinden. Vraag het direct na hun afstuderen en na 5 jaar nog eens. En zet die cijfers verplicht in de consumentengids. Het is belangrijk dat je weet wat de klandizie van je onderwijsinstelling vindt."

Differentiatie

Wijffels houdt het voor volstrekt onvermijdelijk en gewenst dat er differentiatie ontstaat tussen universiteiten en andere vormen van hoger onderwijs. "Als een universiteit een topinstituut wil zijn met wetenschappelijk toponderzoek dan moet je daar de hele structuur op inrichten. Past in dat kader een toelatingsexamen dan moet je dat doen. Maar of dat dan vervolgens bij iedereen moet is zeer de vraag. Want er moeten ook universiteiten blijven die meer kansen bieden en bij die universiteiten is het de vraag of selectie aan de poort wel de goede manier is."
Wintzen: "Het is toch zaak om iedereen naar zijn eigen niveau toe te laten groeien. Een universiteit of school die niet voldoende inspeelt op de bestaande vraag moet eigenlijk ook gewoon failliet kunnen gaan. We houden nu instellingen die matig presteren in de lucht. Ieder ander bedrijf dat het niet goed doet gaat de pijp uit of het wordt overgenomen. Bij de openbare opleidingsinstituten is dat niet zo."
Wijffels: "Hier stel je op tamelijk hoog niveau een ordeningsvraag. Is het onderwijs door statelijk aanbod gedreven of is het een maatschappelijke voorziening die wordt aangedreven vanuit de vraag. In de filosofie van de verzorgingsstaat past het eerste, maar in de filosofie van de geëmancipeerde samenleving past veel meer het tweede, zeker een samenleving die in een internationale context zo weerbaar mogelijk moet zijn. Dan moet je differentiatie toelaten en differentiatie impliceert dat je je richt op de vraag en niet op een uniform gedefinieerd aanbod."
Beiden zijn het erover eens dat particulier onderwijs met een hoog collegegeld zeker een rol mag spelen. Dat doet het nu in zeker zin al want alle universiteiten hebben postmasteropleidingen en die zijn niet goedkoop.
Wintzen: "Misschien komen we beiden wel tot de conclusie dat we liever alleen maar privé-initiatieven op het gebied van onderwijs zouden willen. We willen ervoor zorgen dat onze Nederlandse staatsburgers in ieder geval tot hun 24ste onderwijs kunnen genieten. En daarvoor geven we ze een persoonsgebonden budget."
Wijffels: "Het bekende voucher idee. Elke Nederlander krijgt een contingent onderwijsrechten. Dat contigent rechten kun je je hele leven door gebruiken. De een besteedt het contingent volledig aan de initiële fase dus tot de bachelordegree. Een ander houdt eerder op maar houdt het contigent en kan het meenemen naar een levensloopregeling. Zo zou je moeten kijken hoe je een leven lang leren kunt institutionaliseren en inbedden in een op voorzorg gerichte manier van sociale zekerheid. Het is een verregaande gedachte."
Wintzen: "Maar een heel logische."

Toplaag

Er is een toplaag van studenten die momenteel te gemakkelijk naar buitenlandse universiteiten gaat. Wintzen is ervan overtuigd dat daar heus wel op ingesprongen zal worden. Wijffels ziet toch wel een probleem. "Noch in het wetenschappelijke, noch het maatschappelijke wordt excellentie echt beloond in dit land. En dan heb ik het nog niet eens over financiële beloning maar meer over beloning in het algemeen. De erkenning, de egaliserende cultuur in Nederland heeft ertoe geleid dat wij gaandeweg voor mensen die echt excellent zijn een minder aantrekkelijke context te bieden hebben. Zo simpel is het! Dat is ook de reden dat wij in het Innovatieplatform het criterium hebben geformuleerd dat er ruimte moet komen voor excellentie. Zo moet bewezen excellentie ook leiden tot meer middelen. Op die manier kunnen er incentivesystemen komen waar excellente mensen in een aantrekkelijke context komen te verkeren. Ook voor buitenlanders kunnen we zo aantrekkelijk worden om hierheen te komen. Het betekent tevens dat in elk financieringssysteem ruimte vrijgehouden moet worden om serendipity-achtige ontwikkelingen te faciliteren. In het Innovatieplatform is men bezig om de toekenning van middelen voor toegepast en fundamenteel wetenschappelijk onderzoek te herstructureren.
Eigenlijk moet je zeggen dat ons hele kennis- en innovatiesysteem verouderd is. Het is gebaseerd op verouderde uitgangspunten, de verkokering die hoort bij het industriële paradigma. Er wordt impliciet vanuit gegaan dat kennis- en innovatieprocessen lineair van karakter zijn. Dat is niet meer zo, die zijn circulair van karakter, er is voortdurend interactie tussen fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en de toepassing. In die processen moet je andere verhoudingen bewerkstelligen, andere verbindingen. Daar horen andere incentivesystemen bij."
Wintzen: "Om onderwijs, onderzoek en industrie bij elkaar te brengen kan je wel allerlei instituten bedenken, maar wat in Nederland mijns inziens problematisch is, is dat er te weinig dubbelfuncties zijn tussen onderwijs en bedrijfsleven. Er zijn veel te weinig mensen die met hun volle gewicht in de industrie staan en tegelijk in het onderwijs of onderzoek zitten. Wanneer er een behoorlijk aantal mensen is dat wel die dubbelfunctie heeft dan gebeurt die serendipity makkelijker omdat kennis over en weer diffundeert dan wanneer je het officieel gaat organiseren."
Wijffels is het helemaal eens met Wintzen. "Er is net een evaluatie van TNO klaar en dat rapport heet 'De Kracht van de directe verbinding'. Onze analyse is dat in directe contacten tussen de mensen die met dit soort dingen bezig zijn, het juist gebeurt. Nu staan fundamentele onderzoekers apart van toegepaste onderzoekers en ook de toepassing staat apart. Het is dus nog steeds die mechanistische indeling van hij doet dit en ik doe dat. Dit soort zaken moet juist in netwerkstructuren gebeuren waar voortdurende interactie is. Het gaat om de mate waarin de relevante spelers elkaar kennen."
Wintzen: "Er zit nog een ander element aan met name voor de bètavakken die te weinig aandacht krijgen van de aankomende student. Een van de redenen is dat die bètavakken knap saai zijn of althans knap saai gegeven worden. Toch wil je straks mensen hebben die uitstromen naar de industrie. Dan heb je hoogleraren nodig die ad libitum uit de praktijk kunnen putten. Die hun stof niet uit alleen een boekje halen of saai onderzoek maar die ook weten tegen welke problemen je in de praktijk oploopt. Het is mijn pleidooi om in ieder geval mensen aan te trekken die een serieuze voet in de praktijk hebben. En dat hoeft natuurlijk niet voor de hoogleraar sinologie. Laat die maar rustig zijn theoretische gedoetje doen. Overigens, die vakgebieden moeten er ook blijven, die mogen absoluut niet verloren gaan!"

R&D

Met R&D is de stand van zaken volgens Wijffels iets minder dramatisch dan algemeen wordt aangenomen. De meeste grote ondernemingen houden hun R&D-inspanningen volgens hem min of meer op peil. De groei vindt echter elders plaats. Als percentage van het bruto nationaal product zitten we al jaren rond de 1 procent. De overheid doet daar nog 1 procent bij en zo komen we op de 2 procent. Nederland mist echter een deel van de potentiële groei. "Als we het hebben over een kenniseconomie dan hebben we het in niet geringe mate over vernieuwingen in de sfeer van dienstverlening. Op dat punt hebben we in Nederland heel sterke activiteiten, bijvoorbeeld in de logistiek en de financiële dienstensector die mondiaal aan de top staat. Wat weinig zichtbaar en bekend is dat wij een heel belangrijke creatieve industrie hebben. Ook het Innovatieplatform kijkt naar deze sector van de kenniseconomie die internationaal een belangrijke rol speelt en een behoorlijke omvang heeft."
Mijn opvatting is dat in de wereld waaraan wij vorm moeten geven iedereen zich de vraag moet stellen kan het morgen anders en kan het beter. Dus creatief denken. Daar gaat het om. Dan zijn we weer terug waar we begonnen namelijk dat we onze benadering van onderwijs moeten omdraaien van mensen die leren en werken in vaste structuren en mechanistische organisaties naar individuele leerwegen waar mensen zich leren te vormen en creatief met hun eigen mogelijkheden om te gaan. Ik geloof dat we in eendrachtige samenwerking het onderwijs al tamelijk omgewoeld hebben."
Wintzen: Als wij nu koningen van Nederland waren en werkelijk iets te zeggen hadden, nou mijn vingers jeuken om de hele boel eens echt op z'n kop te zetten. Dat zou fantastisch zijn."

» Article index