De piramide op de schop
Betrokkenheid en een uitgekristalliseerde visie op het Nederlandse onderwijs, daar gaat het om. OnderwijsInnovatie sprak met Dr. Herman Wijffels, voorzitter van de SER en voormalig topman van de RABObank en Eckart Wintzen, hoofd chaos van Ex'tent, investeringsmaatschappij in groene projecten, oprichter en oud topman van automatiseringsbedrijf BSO. Vanuit geheel andere achtergronden en verantwoordelijkheden, de een bedachtzaam en de ander rebels, hebben deze 'toppers' uitgesproken opvattingen wat er met het Nederlandse onderwijs moet gebeuren om de toekomst voor de komende generatie veilig te stellen.
Verkeerde effiency
Het onderwijs in ons land heeft de afgelopen decennia veel
veranderingen in een snel tempo voorbij zien trekken. Of dat
ook altijd verbeteringen zijn geweest daarover verschillen de
meningen. Eckart Wintzen ontwikkelde zijn BSO-model in
dezelfde tijd dat de mammoetwet ingevoerd werd. "Met BSO
was ik met het celmodel bezig. Tegelijkertijd zag ik al die
scholen integreren en dacht wat zonde. Wat zonde dat vanuit
een theoretisch gevoel van effiency unieke identiteiten met
elkaar verbonden worden tot een kleurloze massa. In mijn
businessmodel gaat het erom dat alles wat een duidelijke
missie heeft en voldoende kritische massa, een
overlevingskans krijgt om zelfstandig te opereren. Want dan
haal je het meeste uit mensen. In mijn visie is kwaliteit de
vijand van grootschaligheid, zeker op het gebied van
onderwijs. Ik zag de middelbare scholen van mijn kinderen zo
in elkaar schuiven en de kwaliteit bij wijze van spreken ter
plekke naar beneden donderen. Dat is niet helemaal een echte
waarneming maar mijn gevoel van binnen gaf dat aan. Dus ik
vind het de meest jammere beslissing ever. Overigens is op
zichzelf het idee van modulair onderwijs een fantastische
gedachte."
Wijffels vult aan: "Ik denk dat terugkijkend op enkele
decennia onderwijsvernieuwing de revenuen op z'n best
uiterst bescheiden zijn. Als ik mij de vraag stel hoe
verhoudt zich hetgeen mijn kinderen aan bagage hebben
gekregen tot hetgeen ik had toen ik in 1959 van de HBS kwam
dan vind het toch lastig om te zeggen dat zij minder
geëquipeerd zijn dan ik toentertijd. Ik denk eerder het
omgekeerde. In hun vakkenpakket zag ik veel zaken die ik pas
in mijn 'propjes' kreeg. Er is dus wel progressie
geboekt. Maar ik heb sterke aarzelingen over de vraag of dat
aan de onderwijsvernieuwingen en -veranderingen te danken is.
Het is bijna een evolutionair systeem dat een volgende
generatie net een slagje verder kan springen dan de vorige.
Verder sta ik zeer kritisch tegenover de schaalvergroting in
het onderwijs. Ik definieer dat altijd als smalspoor effiency
denken of industrieel effiency denken. De essentie is dat je
kijkt naar de verhouding tussen input en output. In een
industrieel proces waarbij je een grondstof omzet in een
product is dat een fantastische maatstaf, maar in sociaal
rijkere en gevoeligere productieprocessen zoals onderwijs ga
je wezenlijke elementen negeren in die schaalvergroting. Is
er nog een context waar je je nog thuis kunt voelen, waar je
nog verbinding hebt met het geheel? Die zaken zijn naar mijn
stellige overtuiging in verregaande mate genegeerd. Ik denk
dat daar de kans gemist is om intelligente combinaties van
grootschaligheid en kleinschaligheid te maken."
Organisatiepiramide
In iedere maatschappij zijn structuren te ontdekken. Het onderwijs wijkt meestal niet veel af van wat zich in de samenleving heeft ontwikkeld. Wijffels ziet in het industriële organisatieparadigma de basis van onze maatschappelijke orde. Dat industriële organisatieparadigma omvat enerzijds het maximaliseren tussen input en output, anderzijds gaat het ervan uit dat relatief weinig mensen creatief kunnen nadenken. "Veel mensen zijn alleen maar in staat om klakkeloos uit te voeren wat een ander van ze verlangt. Zo is de piramide als organisatievorm ontstaan. De piramide is het prototype van de industriële organisatievorm. Wat er in de loop van de twintigste eeuw is gebeurd, is dat onze hele maatschappij op die manier is ingericht, dus ook de overheid. Als je kijkt naar het onderwijsbeleid dan was dat een piramidale structuur. Bovenin op het ministerie van onderwijs zat een groepje mensen te bedenken wat er in het onderwijsveld moest gebeuren. We zien nu dat die piramides overal disfunctioneren en aan het desintegreren zijn."
Netwerkstructuren
Wijffels vervolgt: "De wereld waar we naartoe moeten is
een wereld zoals Eckart Wintzen die al als pionier heeft
vormgegeven, een wereld waarin je in netwerkstructuren denkt.
Met binnen die netwerken knooppunten die een
coördinerende functie vervullen en die als het ware de
richting bepalen maar ook de ruimte geven waarbinnen de
verschillende andere elementen in dat netwerk hun weg kunnen
vinden. Het betekent dat je niet moet denken 'hoe kan ik
vanuit de top zorgen dat er gebeurt wat ik wil'. Je moet
mensen de ruimte geven vanuit de behoefte datgene te doen en
te organiseren wat nodig is. Vertalen we dit naar het
onderwijs dan moet je eerst de vraag stellen 'waar ligt
de primaire legitimatie van een onderwijsinstelling?' In
het piramidale model ligt die bij de landelijke politieke
democratie. In het maatschappelijke model dat zich nu
ontwikkelt, ligt de legitimatie primair bij het
verzorgingsgebied van die onderwijsinstelling. Secundair
legitimeert de politieke democratie in Den Haag, want daar
komt de financiering vandaan. Maar in termen van waar bepaald
moet worden wat die school en universiteit moeten doen, is
dat dus niet op het departement. Feitelijk moeten de
professionals en de gebruikers het doen. Dat is dus de
omkering die nodig is en we moeten besluitvormingsregels
maken waardoor diversiteit en variëteit geadresseerd kan
worden. Dus je hebt een organische organisatiebeschouwing
nodig, een overschakeling van het mechanistische naar het
organische organisatieparadigma."
Wintzen: "We moeten ook anders leren kijken naar
onderwijs. Als ik naar het onderwijs kijk dan zeg ik wake up,
de tijd is veranderd je hoeft dingen niet meer uit je hoofd
te leren, je kunt alles opzoeken via internet. Maar je moet
wel kunnen nadenken, je moet verbanden leren zien. En verder
natuurlijk hoe boei je kinderen? En niet dwingen maar boeien!
Dat boeien heeft te maken met de vrijheid die je geeft aan
een teacher. Ik was zo blij met mijn leraar Nederlands op het
gymnasium. Daar heb ik geleerd hoe ik moet formuleren. Hij
besteedde in de tweede, derde en vierde klas alle lestijd aan
voorlezen. Hij heeft ons liefde voor het woord en de taal
bijgebracht. Deze man was onze held. Gelukkig nam hij de
vrijheid om deze invulling aan zijn lessen te geven en ik
denk dat hij daar veel problemen mee heeft gehad.
En wat samenwerken tussen scholen betreft, je dwingt
samenwerking niet van boven af, samenwerken doe je als je
dezelfde doelstellingen en standaards hebt."
Meten
Het meten van de schoolresultaten is een ingewikkelde zaak
meent Wintzen. "Puur stomme parate kennis is gemakkelijk
te testen, maar daar gaat het niet meer om. Vroeger toen je
nog geen naslagwerken in de vorm van internet had was een
zekere mate van parate kennis noodzakelijk. Dat is niet meer
zo, daardoor veel van de meetinstrumenten inmiddels
achterhaald. In de tijd van BSO zeiden we: je moet de cellen
wel hun gang laten gaan, hun eigen beslissingen laten nemen,
onder de voorwaarde dat zij zich houden aan standaarden en
kwaliteitsnormen. Die standaards worden bepaald door de
hoogste instantie. En over de standaards wordt niet
gediscussieerd maar dat wil niet zeggen dat die zij niet
veranderlijk zijn, ze moeten wel met hun tijd meegaan. Voor
het vaststellen van deze standaards is wel heel veel wijsheid
vereist, vooral ook omdat zij op een hoog abstractieniveau
moeten worden gedefinieerd. De eisen die we aan leerlingen en
studenten stellen veranderen. Die zijn nu veel te statisch.
Voor het vaststellen van deze standaards heb je eveneens het
allerhoogste niveau van wijsheid nodig. Dat betekent
diepgaand nadenken hoe die eindtermen tot stand komen en wie
ze gaat bedenken. We moeten daar in een nieuwe vorm naar gaan
kijken. We kunnen vaststellen dat wijsheid naar een eerder
stadium van het leerproces moet worden getrokken. Dat die
weggehaald moet worden bij de feitjes en dat leren denken in
procesvormen naar binnengereden moet worden.
Om de kwaliteit van de opleidingsinstituten te monitoren ben
ik voorstander van een meetsysteem waarbij bekend wordt
gemaakt wat oud-leerlingen en oud-studenten van hun school en
universiteit vinden. Vraag het direct na hun afstuderen en na
5 jaar nog eens. En zet die cijfers verplicht in de
consumentengids. Het is belangrijk dat je weet wat de
klandizie van je onderwijsinstelling vindt."
Differentiatie
Wijffels houdt het voor volstrekt onvermijdelijk en gewenst
dat er differentiatie ontstaat tussen universiteiten en
andere vormen van hoger onderwijs. "Als een universiteit
een topinstituut wil zijn met wetenschappelijk toponderzoek
dan moet je daar de hele structuur op inrichten. Past in dat
kader een toelatingsexamen dan moet je dat doen. Maar of dat
dan vervolgens bij iedereen moet is zeer de vraag. Want er
moeten ook universiteiten blijven die meer kansen bieden en
bij die universiteiten is het de vraag of selectie aan de
poort wel de goede manier is."
Wintzen: "Het is toch zaak om iedereen naar zijn eigen
niveau toe te laten groeien. Een universiteit of school die
niet voldoende inspeelt op de bestaande vraag moet eigenlijk
ook gewoon failliet kunnen gaan. We houden nu instellingen
die matig presteren in de lucht. Ieder ander bedrijf dat het
niet goed doet gaat de pijp uit of het wordt overgenomen. Bij
de openbare opleidingsinstituten is dat niet zo."
Wijffels: "Hier stel je op tamelijk hoog niveau een
ordeningsvraag. Is het onderwijs door statelijk aanbod
gedreven of is het een maatschappelijke voorziening die wordt
aangedreven vanuit de vraag. In de filosofie van de
verzorgingsstaat past het eerste, maar in de filosofie van de
geëmancipeerde samenleving past veel meer het tweede,
zeker een samenleving die in een internationale context zo
weerbaar mogelijk moet zijn. Dan moet je differentiatie
toelaten en differentiatie impliceert dat je je richt op de
vraag en niet op een uniform gedefinieerd aanbod."
Beiden zijn het erover eens dat particulier onderwijs met een
hoog collegegeld zeker een rol mag spelen. Dat doet het nu in
zeker zin al want alle universiteiten hebben
postmasteropleidingen en die zijn niet goedkoop.
Wintzen: "Misschien komen we beiden wel tot de conclusie
dat we liever alleen maar privé-initiatieven op het
gebied van onderwijs zouden willen. We willen ervoor zorgen
dat onze Nederlandse staatsburgers in ieder geval tot hun
24ste onderwijs kunnen genieten. En daarvoor geven we ze een
persoonsgebonden budget."
Wijffels: "Het bekende voucher idee. Elke Nederlander
krijgt een contingent onderwijsrechten. Dat contigent rechten
kun je je hele leven door gebruiken. De een besteedt het
contingent volledig aan de initiële fase dus tot de
bachelordegree. Een ander houdt eerder op maar houdt het
contigent en kan het meenemen naar een levensloopregeling. Zo
zou je moeten kijken hoe je een leven lang leren kunt
institutionaliseren en inbedden in een op voorzorg gerichte
manier van sociale zekerheid. Het is een verregaande
gedachte."
Wintzen: "Maar een heel logische."
Toplaag
Er is een toplaag van studenten die momenteel te gemakkelijk
naar buitenlandse universiteiten gaat. Wintzen is ervan
overtuigd dat daar heus wel op ingesprongen zal worden.
Wijffels ziet toch wel een probleem. "Noch in het
wetenschappelijke, noch het maatschappelijke wordt
excellentie echt beloond in dit land. En dan heb ik het nog
niet eens over financiële beloning maar meer over
beloning in het algemeen. De erkenning, de egaliserende
cultuur in Nederland heeft ertoe geleid dat wij gaandeweg
voor mensen die echt excellent zijn een minder aantrekkelijke
context te bieden hebben. Zo simpel is het! Dat is ook de
reden dat wij in het Innovatieplatform het criterium hebben
geformuleerd dat er ruimte moet komen voor excellentie. Zo
moet bewezen excellentie ook leiden tot meer middelen. Op die
manier kunnen er incentivesystemen komen waar excellente
mensen in een aantrekkelijke context komen te verkeren. Ook
voor buitenlanders kunnen we zo aantrekkelijk worden om
hierheen te komen. Het betekent tevens dat in elk
financieringssysteem ruimte vrijgehouden moet worden om
serendipity-achtige ontwikkelingen te faciliteren. In het
Innovatieplatform is men bezig om de toekenning van middelen
voor toegepast en fundamenteel wetenschappelijk onderzoek te
herstructureren.
Eigenlijk moet je zeggen dat ons hele kennis- en
innovatiesysteem verouderd is. Het is gebaseerd op verouderde
uitgangspunten, de verkokering die hoort bij het
industriële paradigma. Er wordt impliciet vanuit gegaan
dat kennis- en innovatieprocessen lineair van karakter zijn.
Dat is niet meer zo, die zijn circulair van karakter, er is
voortdurend interactie tussen fundamenteel onderzoek,
toegepast onderzoek en de toepassing. In die processen moet
je andere verhoudingen bewerkstelligen, andere verbindingen.
Daar horen andere incentivesystemen bij."
Wintzen: "Om onderwijs, onderzoek en industrie bij
elkaar te brengen kan je wel allerlei instituten bedenken,
maar wat in Nederland mijns inziens problematisch is, is dat
er te weinig dubbelfuncties zijn tussen onderwijs en
bedrijfsleven. Er zijn veel te weinig mensen die met hun
volle gewicht in de industrie staan en tegelijk in het
onderwijs of onderzoek zitten. Wanneer er een behoorlijk
aantal mensen is dat wel die dubbelfunctie heeft dan gebeurt
die serendipity makkelijker omdat kennis over en weer
diffundeert dan wanneer je het officieel gaat
organiseren."
Wijffels is het helemaal eens met Wintzen. "Er is net
een evaluatie van TNO klaar en dat rapport heet 'De
Kracht van de directe verbinding'. Onze analyse is dat in
directe contacten tussen de mensen die met dit soort dingen
bezig zijn, het juist gebeurt. Nu staan fundamentele
onderzoekers apart van toegepaste onderzoekers en ook de
toepassing staat apart. Het is dus nog steeds die
mechanistische indeling van hij doet dit en ik doe dat. Dit
soort zaken moet juist in netwerkstructuren gebeuren waar
voortdurende interactie is. Het gaat om de mate waarin de
relevante spelers elkaar kennen."
Wintzen: "Er zit nog een ander element aan met name voor
de bètavakken die te weinig aandacht krijgen van de
aankomende student. Een van de redenen is dat die
bètavakken knap saai zijn of althans knap saai gegeven
worden. Toch wil je straks mensen hebben die uitstromen naar
de industrie. Dan heb je hoogleraren nodig die ad libitum uit
de praktijk kunnen putten. Die hun stof niet uit alleen een
boekje halen of saai onderzoek maar die ook weten tegen welke
problemen je in de praktijk oploopt. Het is mijn pleidooi om
in ieder geval mensen aan te trekken die een serieuze voet in
de praktijk hebben. En dat hoeft natuurlijk niet voor de
hoogleraar sinologie. Laat die maar rustig zijn theoretische
gedoetje doen. Overigens, die vakgebieden moeten er ook
blijven, die mogen absoluut niet verloren gaan!"
R&D
Met R&D is de stand van zaken volgens Wijffels iets
minder dramatisch dan algemeen wordt aangenomen. De meeste
grote ondernemingen houden hun R&D-inspanningen volgens
hem min of meer op peil. De groei vindt echter elders plaats.
Als percentage van het bruto nationaal product zitten we al
jaren rond de 1 procent. De overheid doet daar nog 1 procent
bij en zo komen we op de 2 procent. Nederland mist echter een
deel van de potentiële groei. "Als we het hebben
over een kenniseconomie dan hebben we het in niet geringe
mate over vernieuwingen in de sfeer van dienstverlening. Op
dat punt hebben we in Nederland heel sterke activiteiten,
bijvoorbeeld in de logistiek en de financiële
dienstensector die mondiaal aan de top staat. Wat weinig
zichtbaar en bekend is dat wij een heel belangrijke creatieve
industrie hebben. Ook het Innovatieplatform kijkt naar deze
sector van de kenniseconomie die internationaal een
belangrijke rol speelt en een behoorlijke omvang
heeft."
Mijn opvatting is dat in de wereld waaraan wij vorm moeten
geven iedereen zich de vraag moet stellen kan het morgen
anders en kan het beter. Dus creatief denken. Daar gaat het
om. Dan zijn we weer terug waar we begonnen namelijk dat we
onze benadering van onderwijs moeten omdraaien van mensen die
leren en werken in vaste structuren en mechanistische
organisaties naar individuele leerwegen waar mensen zich
leren te vormen en creatief met hun eigen mogelijkheden om te
gaan. Ik geloof dat we in eendrachtige samenwerking het
onderwijs al tamelijk omgewoeld hebben."
Wintzen: Als wij nu koningen van Nederland waren en werkelijk
iets te zeggen hadden, nou mijn vingers jeuken om de hele
boel eens echt op z'n kop te zetten. Dat zou fantastisch
zijn."

