De zittende klasse
De opkomst van de beleidsmens
Het aantal mensen dat zich met 'beleid' bezighoudt, is de laatste jaren enorm toegenomen. Ze bedenken concepten, ontwikkelen een visie en sturen processen aan. Maar: helpt al dat gestuur de verzorgingsstaat vooruit of verstikt het die juist? 'Nog effe wachten, jongens, er wordt beleid gemaakt.'
BART RIJS
Het is nog voor negenen als hij zijn bruinleren attaché-koffertje openklakt, er enkele stapeltje rukt papier uitneemt en op zijn bureau legt. Hij laat zijn PC aanfloepen. In de kantoorkamers links en rechts van hem doen zijn collega's hetzelfde. De hele ochtend zit hij energiek te tikken en te telefoneren, en op zijn nota's verschijnen aantekeningen. Hij komt alleen achter zijn bureau vandaan om zijn papieren uit de printer op de gang te halen; met de collega's die hij daar toch tegen het lijf loopt, voert hij eventjes wat informeel overlegjes. Eén keer zien we hem een paperclip verbuigen en ermee in zijn oor peuteren, en één keer wipt hij drie verdiepingen naar beneden, om nog iets af te stemmen. De middag gaat zoek met de lunch en een bespreking van de projectgroep. Tegen half zes is hij behoorlijk moe; er is niets concreets uit zijn handen gekomen, maar hij is de hele dag enorm druk geweest. Hij pakt nog wat rapporten in; morgen is er een overlegsessie buiten de deur.
De man die nu het kantoor verlaat, zou de beleidsmedewerker algemeen economische zaken op het ministerie van Verkeer en Waterstaat kunnen zijn, wiens taak in een personeelsadvertentie in de zaterdagbijlagen wordt omschreven als 'het adviseren van de departementsleiding', 'alsmede het volgen van ontwikkelingen' en het 'onderhouden van contacten met andere directies binnen het ministerie'; of de adjunct-directeur van het Gezamenlijk Uitvoeringsorgaan die te Alkmaar zorg draagt 'voor de optimale uitvoering van de administratieve processen' en tevens een 'actieve inbreng' heeft 'op beleidsvoorbereidend niveau'; of de senior organisatie-adviseur bij de Nederlandse Spoorwegen die 'bijdraagt aan de concernbeleidontwikkeling', bezig is met het opzetten van 'veranderingsprojecten in alle geledingen van het bedrijf' en ook nog eens 'gesprekspartner' is 'voor het management tot in de hoogste echelons'.
Het aantal mensen dat hun brood verdient met beleid is enorm toegenomen. Afgelopen jaar waren er volgens het weekblad Intermediair alleen al meer dan drieduizend vacatures voor staf- en bestuursfunctionarissen; dat was door de teruggang van de economie weliswaar een daling van zeventien procent, maar die daling was veel kleiner dan bij andere functies. De universiteiten stomen duizenden beleidsspecialisten klaar. Het aantal eerstejaarsstudenten Bestuurs- en Bedrijfskunde is de laatste vijf jaar verdubbeld tot ongeveer drieduizend. Nieuwe, modieuze studierichtingen als Beleidsgerichte Milieukunde, Bestuurlijke Informatica, Vrouw & Beleid, Kunstmanagement en Cultuur, Organisatie & Management leveren jaarlijks vele honderden mensen af Aan de Landbouwuniversiteit heeft bijna elke studierichting, van Bosbouw tot Voeding van de mens, wel een beleidsgerichte afstudeervariant; en de universiteit van Nijmegen heeft met succes een hele faculteit Beleids- en Bestuurskunde opgericht waar studenten op academisch niveau les krijgen in zaken als vergaderen en rapporteren.
De beleidsmens werkt niet alleen bij de overheid al schatte directeur-generaal Binnenlandse Zaken Pont het aantal Haagse ambtenaren dat zich bezighoudt met beleid op ongeveer dertigduizend - maar ook bij grotere bedrijven en in toenemende mate bij ziekenhuizen, universiteiten, overlegorganen, belangengroepen en andere non profit-instellingen. Volgens het CBS waren er in 1991 vijftigduizend 'bedrijfskundige of verwante functies' in Nederland; het aantal PR-mensen, beleidsmedewerkers en staffunctionarissen is niet gerubriceerd, maar moet in de tienduizenden lopen.
Er is een zittende klasse ontstaan, een klasse van mensen die zich achter hun bureaus bezighouden met het bedenken, het maken en het communiceren van beleid. Het begrip 'zittende klasse' is afkomstig uit het gelijknamige boek van de socioloog Cees Schuyt. De zittende klasse is verantwoordelijk, schrijft hij, 'voor de uiteenspattende waterval van duizenden dagelijkse beslissingen, die over burgers genomen worden'. Ze hebben, aan de functie-eisen van de personeelsadvertenties te zien, een academische opleiding, kunnen uitstekend met mensen omgaan, beschikken over een vlotte pen en babbel, hebben enige organisatorische kwaliteiten en genieten een bovenmodaal salaris.
En ze hebben veel macht, betoogt Schuyt: "De leden van de zittende klassen stammen zeker niet meer af van de oude, bezittende klassen. Met kennis hebben ze macht en maatschappelijk aanzien verworven. Het zijn de gezichtsbepalende uitdragers geworden van de verzorgingsstaat."
Die zittende klasse bestond enkele tientallen jaren geleden nog niet. De kantoren waren klein: er werkten nijvere witte boorden, commiezen en schrijvers eerste klas die gewichtige aktetassen vol voorschriften en circulaires met zich meetorsten. Beleid was een zaak van de elite. Alfons Borkes stond toen aan het begin van zijn carrière en was procuratiehouder bij een textielfabriek. In die tijd vergaderden we 's ochtends met z'n drieën over het beleid en voerden het 's middags uit."
Met het stijgen van de welvaart groeiden de ondernemingen. Hoofdkantoren kregen nieuwe vleugels voor afdelingen business development, marketing strategy en public relations. De markt werd complexer, dus stelde Men allerlei specialisten aan. Toen Borkes overstapte naar Philips kreeg hij daar te maken met honderdenéén beleidsmensen op allerlei corporate afdelingen. »Mensen zaten daar erg graag, je werd er gezien. Die afdelingen waren ondergebracht op het hoofdkantoor, dus werd je nog eens binnengeroepen bij de baas."
Nederland was bezig met de opbouw van de verzorgingsstaat. Voor elk deelterreintje kwam er een beleid en een beleidsmedewerker: het rijk kreeg een sportbeleid, de provincies een fietspadenbeleid en de gemeenten een hondenpoepbeleid. Louis Dolman was toen net afgestudeerd als econoom. "Als je carrière wilde maken, herinnert hij zich, "dan moest je beleidsmedewerker worden bij de overheid." Hij kreeg een baan bij de Rekenkamer. Maar voor het onderzoek dat hij naar de doelmatigheid van al dat nieuw beleid verrichtte, was de belangstelling niet overweldigend.
De beleidsmensen stopten hun notes in een schoudertas die bij voorkeur van ongeverfd leer was en reminiscenties opriep aan de werkmanstas van loodgieter of timmerman. Het was dan ook de tijd van democratisering en participatie. Allerlei actiegroepen en organisaties kwamen in aanmerking voor subsidie, die onder andere werd gebruikt om beleidsmensen in dienst te nemen vaak degenen die vroeger als vrijwilliger actief waren. De zittende klasse breidde zich uit naar de non profitsector. De Nederlandse Sport Federatie, de fietsersbond ENFB en de werkgroep Hondenbezitters schreven nota's in de hoop het nieuwe beleid te beïnvloeden.
Door de economische terugval in de jaren tachtig kwam efficiency in zwang. Bedrijven deelden zichzelf op in kleinere business-units om snel te kunnen reageren op de veranderende markten en Alfons Borkes werd unit-directeur bij een automatiseringsen adviesbedrijf Ook de overheid begon aan de Grote Efficiency Operatie en reorganiseerde dat het een lust was. Weer werden meer beleidsmensen gevraagd, nu om een reorganisatiebeleid te bedenken. Louis Dolmans werd controller bij de provincie Gelderland waar hij nu 'voorwaarden creëert voor een goede bedrijfsvoering'. Er kwamen zelfs bedrijven die alleen maar beleid maakten en het aan anderen verkochten. Tegenwoordig heeft Nederland na Groot-Brittannië de hoogste adviesbureaudichtheid binnen de EG. En de controllers en consultants hebben van die dunne attache-koffertjes; te veel papieren is namelijk uit, want ondoelmatig.
Ondanks de groei van de zittende klasse is haar nut moeilijk te meten. "Het opmerkelijke van beleidsmensen," zegt organisatie-adviseur Hans van Londen, "is dat ze geen leiding geven, of hoogstens aan hun secretaresse. Ze zijn bezig met het bedenken van concepten, ontwikkelen van een visie en het aansturen van processen." Hoe stel je het nut van een visie of een concept vast? Zou je hun kinderen vragen naar de bezigheden van hun ouders, dan zouden ze iets zeggen als 'papa doet iets bij de spoorwegen , of 'mama werkt op het gemeentehuis'. Louis Dolmans die als controller bij de provincie Gelderland 'de voorwaarden voor een goede bedrijfsvoering moet creëren', merkt dat beleidsmensen zelf ook moeilijk kunnen formuleren wat het product is van hun werk. "Wanneer ik vraag: 'Wat doe je nu precies?' vinden ze mij uitermate lastig. Zo'n vraag ervaart men als bedreigend." Dus: wat doen beleidsmensen eigenlijk?
Beleidsmensen kunnen zelf ook moeilijk formuleren wat het product is van hun werk. 'Wanneer ik vraag: Wat doe je nu precies? vinden ze mij uitermate lastig. Zo'n vraag ervaart men als bedreigend.
De zittende klasse schrijft nota's. Beleidsmensen worden gelegitimeerd door hun deskundigheid, dus zullen ze zelden een beleidsadvies geven op grond van intuïtie. De beleidsmens heeft wekenlang informatie vergaard, getelefoneerd, standaardwerken nagekeken, overleg gepleegd en tenslotte een nota op zijn PC getikt. In die nota staat dus een doorwrochte toekomstverkenning, een company strategy of een beleidsvisie. En dan?
Toen Alfons Borkes als manager bij Philips werkte, 'dwarrelden elke dag beleidsrapporten' op zijn bureau. "Kijk, die beleidsjongens zijn conceptueel heel goed, maar van de praktijk weten ze minder. Ze studeren na een veel te korte stage af op een scriptie die nooit uitgevoerd hoeft te worden, dus hebben ze niet geleerd wat de gevolgen van plannenmakerij zijn. Dan produceerden vier econometristen een boekwerk met stukjes managementtheorie uit een standaardwerk en zulke prachtige tabellen dat je er even stil van werd, maar waar je verder weinig mee kon. Moest je echt iets doen, dan kreeg je altijd een begeleidend briefje. Een rapport zonder briefjes legde je helemaal onderop de stapel met het idee: dat lees ik nog wel eens op een hele regenachtige zondagmiddag. Het is ook wel voorgekomen dat ik in de la mijn commentaar op de beleidsnota van het vorige jaar vond, het jaartal veranderde en het weer meestuurde. Zó, dacht je dan, en nu weer echt aan het werk. Ondertussen werd het probleem, waar die nota verondersteld werd over te gaan, niet opgelost. 'Effe wachten jongens', zei je dan," er wordt beleid gemaakt.' "
De zittende klasse is deskundig. Men heeft een behoorlijke opleiding achter de rug, een paar jaar ervaring en is naar een studiedag of wat geweest. Om deskundige te zijn, moeten beleidsprofessionals zich beperken tot het onderdeeltje van een probleem dat in hun functie-omschrijving staat vermeld. Het zicht op de samenhang dreigt te verdwijnen, "Neem het milieuprobleem," zegt Eckart Wintzen. Hij is directeur van het automatiseringsbedrijf BSO/Origin en lid van de denkclub van Schiermonnikoog. "Het milieu wordt opgedeeld in een sector lucht, water en bodem en al die sectoren weer in honderden onderdelen. Zo ontstaat nota nummer 1237 AC/b2 inzake grondwatervervuiling door, zeg chloorverbindingen, die behalve door de betreffende beleidsmedewerker, zijn secretaresse en zijn chef door niemand echt wordt gelezen. Een samenhangende visie vind je in die rapporten nooit. Hoe complexer een probleem, hoe meer gespecialiseerde groepjes er moeten worden ingezet om dat probleem te beheersen."
De zittende klasse praat, pardon, communiceert voornamelijk met zichzelf. op seminars, op de tweedaagse bijspijkercursus 'adviesrapporten' in een Bilderberghotel, maar vooral in besprekingen en ambtelijk overleg. Omdat specialisten op hun terrein het deskundigst zijn, weten ze het altijd beter dan anderen. Wintzen: "Al die groepjes zijn vooral hard bezig met het verdedigen van hun competentie en hun positie in de organisatie. Ze zijn deskundig, dus weten ze er altijd meer van dan anderen die zich op hun terrein wagen - 'Hoho, ik geloof niet dat chloorverbindingen tot jullie takenpakket behoren.' Bij het wóórd beleidsmedewerker alleen al krijg ik pukkeltjes."
Om de beleidsstrijd tussen al die specialisten uit te vechten moet er veel vergaderd worden. Een beleidsmedewerker op het ministerie van Verkeer en Waterstaat (directie juridische zaken, sector Europees recht) rekende het NRC Handelsblad voor dat hij van zijn 38-urige werkweek twintig uur besteedt aan overleg.
Of alle nota's, deskundigheid en vergadertijd iets opleveren, is opmerkelijk slecht onderzocht. Frans Leeuw, bijzonder hoogleraar effectiviteit van het overheidsbeleid in Utrecht, spreekt van een 'empirisch gat'. "Niemand heeft belang bij zulk onderzoek naar doelmatigheid of effectiviteit van beleid." In het gunstigste geval, namelijk als het beleid aan de verwachtingen voldoet, mogen beleidsmensen doorgaan met wat ze deden. Maar de kans bestaat dat uit het onderzoek blijkt dat het beleid geen effect of allerlei onverwachte en ongewenste neveneffecten heeft. Dit soort informatie, schreef de hoogleraar openbare financiën Flip de Kam, 'dreigt vaststaande opvattingen en inzichten van beleidsmakers op losse schroeven te zetten.
Wordt er wel serieus onderzoek gedaan, dan zijn de resultaten weinig florissant. In 1991 onderzocht de Rekenkamer zeventig voorlichtingscampagnes die, exclusief uitgaven voor personeel, 78 miljoen hadden gekost. Ruim de helft was nooit geëvalueerd; bij de overige campagnes bleken de meetbare effecten uiterst bescheiden en een enkele keer stond het bereikte effect haaks op het oorspronkelijke doel.
In april bleek uit een reorganisatie-plan van adviesbureau Twijnstra Gudde dat driehonderd medewerkers van het Centraal Bureau Arbeidsvoorziening in Rijswijk twee jaar lang beleid hadden gemaakt waaraan niemand behoefte had en dat dus nooit was uitgevoerd. Onlangs onderzocht het ministerie van Financiën de subsidie van de Rijksoverheid, kosten: veertig miljard. Van meer dan de helft van de subsidieregelingen waren de effecten niet bekend.
Klaas Groenveld, directeur van de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD, constateert 'een natuurlijke reflex om regels te stelled. Ook wanneer niet duidelijk is of de regels het beoogde effect zullen hebben. "Dat is een kwestie van persoonlijke instelling. Beleids- en bestuurskundigen zijn opgeleid met het besef dat ze beleid moeten maken, en ze hebben daar allerlei methoden voor geleerd. De buitenwereld verwacht dat ook: een manager die een probleem niet krachtdadig aanpakt, is al gauw een lapzwans. Veel beleids- en bestuurskundigen zijn psychologisch niet toegerust om te vertrouwen op het grote zelfregulerende vermogen van de mens en de maatschappij."
Volgens het Sociaal- en Cultureel Rapport 1992 is er overproductie van beleid'. Het voortdurend gepalaver over beleid geeft alleen de indruk dat er iets gebeurt. "Rapporten, overleggen, task-forces, gespreksgroepen. Dat noem je toch niet iets doén?" fulmineert de Amsterdamse commissaris Nordholt in NRC Handelsblad over het werkgelegenheidsbeleid voor allochtonen. Hij klaagt over de 'graansilo's vol plannen. "Ze verwijzen naar rapporten. En ze denken dat het resultaten zijn. Al die rapporten en praatgroepen ken ik ook. Maar daarmee is er feitelijk nog geen werk (-) voor al die jongeren die nu afglijden."
De mensen en middelen die worden ingezet om over beleid te denken en te beslissen, gaan ten koste van de uitvoering van het beleid. De overheid - aan de borreltafel vaak aangeduid als 'de polletiek' - dreigt zo haar geloofwaardigheid en op den duur haar legitimiteit te verliezen, en reageert licht paniekerig. Via Postbus 51 wordt de burger opgeroepen zich naar het beleid te voegen: dat je het milieu bij jezelf moeten laten beginnen, dat te veel drank niet goed is, dat je moet klagen als je arbeidsomstandigheden niet bevallen, dat je, kortom, burgerzin moet vertonen. De burger haalt de schouders op en zapt naar een ander net.
Zo is de zittende klasse haar eigen probleem aan het worden, want de samenleving glipt als zand tussen haar vingers door. Om de maatschappelijke veranderingen bij te houden, worden wetten en voorschriften in hoog tempo uitgebreid en verfijnd. Maar nog voordat het beleid opnieuw is aangepast, is de maatschappij weer een stap verder en begint de aanpassing opnieuw. "Soms heb ik het gevoel dat we van alle kanten tegelijk worden ingehaald," schrijft de directeur-generaal Sociale Zaken Borstlap in de NRC. Vermoedelijk ook omdat we zelf niet altijd weten op welke weghelft we ons bevinden. Er zijn perioden dat we ons van incident naar incident begeven." De overproductie van beleid houdt zichzelf gaande.
De zittende klasse roept bij het maken van beleid steeds vaker de hulp in van - kostbare - experts. "De advisering is volstrekt uit de klauwen gelopen," meent Wim Koot. Hij is cultureel antropoloog en werkt als docent en onderzoeker op het Utrechtse Centrum voor Beleid en Management "Hoe gaat dat? Een modale ambtenaar heeft een aantal miljoenen onder zijn beheer voor, laten we zeggen, waterprojecten in India. Dat is een lastig onderwerp en hij wil het geld graag op een verantwoorde manier uitgeven, dus huurt hij een expert in. Wanneer hij een kritisch advies geeft - bijvoorbeeld dat je beter niets aan waterprojecten kunt uitgeven - dan weten ze niet hoe snel ze hem moeten lozen. Dus doet hij dat niet; vaak heeft men al langer een relatie met de overheid en weet men wat er wordt verwacht. Het ophouden of het creëren van schone schijn is een wezenlijk deel van hun opdracht. Men levert het advies dat de klant wil horen en bekommert zich niet om de werkelijkheid." Adviseurs zijn niet nutteloos, vindt Koot, 'maar er zijn kritische adviseurs nodig die ook de positie van de opdrachtgever ter discussie durven stellen. Nu wordt er op een belachelijke manier met geld gesmeten.
De overheid is gaan decentraliseren in de hoop dat kleinere, efficiënte instellingen de burger beter zouden kunnen bedienen. De lokale overheden krijgen meer bevoegdheden. De quango - quasi autonomous non-governmental organisation - zijn in de mode. Dat zijn organisaties die formeel onder verantwoordelijkheid van de minister vallen, maar zelfstandig hun werk doen, zoals de Informatiseringsbank de studiefinanciering uitvoert voor de minister van Onderwijs. In 1983 telde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid al zeshonderd quango's.
De decentralisatie heeft onvoorziene gevolgen. Ze maakt de productie van beleid namelijk nog groter. Sinds de opdeling van Amsterdam in dertien stadsdelen zijn er dertien milieubeleidjes. Bij het gehele milieubeleid zijn honderden organisaties betrokken: niet alleen de ministeries van Verkeer en Waterstaat, Milieu, Economie, Landbouw, maar ook de vakbonden en werkgevers-organisaties, de EG, provincies, Vereniging Nederlandse Gemeenten, de EG, de Stichting Natuur en Milieu, de ANWB, enzovoort. Er zijn tegenwoordig aparte 'beleidsmakelaars' nodig voor het coördineren en communiceren van beleid.
In zijn oratie Productie en effectiviteit van overheidsbeleid constateert Frans Leeuw dat het openbaar bestuur 1 een lappendeken is geworden 'met een voor de burger grote ondoorzichtigheid' en 'bovendien verstrengeld met allerlei vertegenwoordigende en belangengroepen'. Doordat de overheid in sommige organisaties samenwerkt met commerciële ondernemingen 'vervagen de grenzen tussen markt en openbaar bestuur'. "Dit levert het gevaar van de desintegratie van ons politiek en bestuurlijk stelsel."
De gedecentraliseerde organisaties blijken niet zozeer de burger als de eigen achterban te bedienen: het Landbouwschap verdedigt de agrariërs en houdt maatregelen tegen het mestoverschot tegen, de gemeente weigert asielzoekers op te vangen vanwege de morrende bevolking, het Nederlands Bureau voor Toerisme pleit voor investeringen in de toeristenindustrie. "Het zou erg interessant zijn om te onderzoeken of dit type organisaties 1 collectief corrupt' zou kunnen zijn," vindt Leeuw. In het beleidsdebat nemen belangen de plaats in van overtuigingen, en het vergroten van de eigen organisatie is dan een doel op zich. Het beleid wordt een optelsom van belangetjes - wat niet hetzelfde is als het algemeen belang.
Quango's en lokale overheden en belangengroepen zijn gewikkeld in een gevecht om de schaarse middelen. Omdat ze niet rechtstreeks kunnen concurreren, doen ze dat door zich publiekelijk te profileren. »Steeds meer organisaties en steeds meer mensen binnen die organisaties doen aan voorlichting," merkte de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) op. "Beleidsambtenaren met een vaak niet eens aan de voorlichting verwante theoretische basis of ervaring worden met voorlichting belast. Dat leidt tot niet effectieve of zelfs contraproductieve inspanningen." Zo hoorden we plotsklaps per TV-spot dat 'Den Haag bruist', repliceerde de provincie Groningen advertentiegewijs dat 'het daar gebeurde', waarna de gemeente Tilburg niet kon achterblijven en de campagne 'Tilburg Moderne Industriestad' werd opgestart.
Wie de beleidsstrijd niet wil verliezen, moet zijn standpunt onderbouwen met gewichtige notrs vol beleidsalternatieven. Vergaderen! Lobbyen! De voorzitter van het College van Bestuur van de Landbouw-universiteit raakte per ongeluk de kern van het probleem toen hij zich in NRC Handelsblad verdedigde tegen de aantijging dat de besturen hun bureaus jarenlang hadden uitgebreid ten koste van de wetenschappelijke staf.- "Ik vraag me af waar de universiteiten waren gebleven als ze tegenover de ambtelijke cijferaars van de overheid geen evenwaardig tegenspel hadden kunnen bieden." Er is een beleidswedloop; wanneer de ene organisatie beleidsmensen aanstelt, kunnen de andere dus moeilijk achterblijven.
Wintzen stelt zichzelf voorop," analyseert WRR-staflid Paul den Hoed. "Met name de instellingen die door het Rijk buiten de poorten zijn gezet en zijn gedecentraliseerd, hebben een sterke behoefte aan legitimatie, ze zijn immers ingesteld en niet gekozen. Dus treden ze door public relations - in contact met de burger om op het belang van hun diensten te wijzen. Uit onzekerheid laten ze onophoudelijk beleidsonderzoek verrichten en kijken voortdurend naar de manier waarop ze zijn georganiseerd - vaak nog met hulp van ingehuurde adviseurs. Is ons beleid wel perfect? Slaan we geen enkel gezichtspunt over? Zijn alle effecten doorgerekend? Ze zijn zo druk bezig zich te legitimeren, dat ze aan hun eigenlijke taak niet meer toekomen.
De politiek is niet bij machte om de zittende klasse te sturen. Ze moet een parlementaire enquête uitvoeren om erachter te komen wat er met de uitvoering van de sociale zekerheid is gebeurd. Voor politici is de situatie even onoverzichtelijk als voor de burger. De macht van de lokale overheden, quango's en belangenorganisaties is groot. De politiek kan geen beleid opleggen, maar moet onderhandelen, ruilhandel plegen en convenanten sluiten.
Ze zit gevangen in het beleidsnetwerk dat ze zelf heeft geknoopt. Of een politicus met succes wetgeving kan doorvoeren, hangt ervan af hoe goed hij de weg in het netwerk van beleidsinstellingen kent. Het is niet verwonderlijk dat bijna zeventig prééent van de partijbestuurders (veertig procent bij Groen Links, honderd procent bij D66; het CDA weigerde gegevens) en 45 procent van de Tweede Kamer-leden uit een beleidsfunctie komt. De zittende klasse heeft de politiek veroverd. Politici moeten dusdanig veel tijd besteden aan het bespelen van het beleidsnetwerk dat ze soms zo ver verwijderd raken van de realiteit dat ze licht autistisch lijken. Een enkel Kamerlid gaat tijdelijk in de Bijlmer wonen en laat zich daar beroven om het contact met de samenleving te herstellen, maar dat lijkt meer noodsprong dan een oplossing.
"De centrale overheid is navelstaarderig geworden," constateert Den Hoed. 'De overheid zelf heeft gebrek aan zelfvertrouwen. Waarom zegt de overheid niet: we kunnen niet alles, dus bepaalde dingen zult u zelf moeten oplossen - maar wát we kunnen, doen we ook goed. De burger zoekt een betrouwbaar vast punt, een overheid die kleur bekent, die het algemeen belang durft te definiëren en daaraan vasthoudt met een consistent beleid. Liever een overheid waarop je je eens boos kunt maken, dan een overheid die eindeloos is verwikkeld in spiegelgevechten."

