Microcomputers beperkt benut
Helft kleine systemen slechts in gebruik als typemachine
Door een onzer redacteuren
UTRECHT, 19 meiBinnen Nederlandse bedrijven en instellingen staan 25.000 microcomputers werkeloos. Van de 420.000 aangeschafte personal computers is 2 procent nooit uit de doos gekomen, 4 procent werd nog wel geïnstalleerd, maar niemand weet hoe het apparaat werkt.
Dat blijkt uit onderzoek van het Utrechtse Bureau voor Systeemontwikkeling (BSO), 's lands derde softwarehuis. Volgens president-directeur E.J. Wintzen, die deze gegevens gisteren naar buiten bracht, wordt de microcomputer volstrekt onvoldoende benut. Slechts 48 procent van de door bedrijven en instellingen gekochte microcomputers (exclusief zogeheten PC privé-projecten) wordt bediend door mensen die er meer mee doen dan alleen teksten verwerken. Zij kunnen bijvoorbeeld ook gegevensbestanden opzetten en berekeningen met het apparaat uitvoeren.
Uitsluitend voor tekstverwerking wordt 46 procent van de uitstaande professionele microcomputers gebruikt. De helft daarvan, zo'n 100.000 stuks, had volgens Wintzen net zo goed niet hoeven worden aangeschaft. "Deze computers functioneren als typemachine met correctietoets, die je ook voor 800 gulden had kunnen krijgen."
Energie
Volgens Wintzen ligt de schuld van de geringe benutting van menig microcomputer niet bij gebruikers, maar bij "de idioot die het ding heeft gemaakt". De BSO-bestuurder noemde het "niet moeilijk om technologie te maken, maar wel om producten te fabriceren waarvan iedereen gebruik kan maken".
Hij stelde dat de "mentale energie" die nodig is om meer uit een computer te halen dan nu het geval is, in veel gevallen niet opweegt tegen het te behalen voordeel. Producenten moeten daarom meer oog hebben voor "het buitengewoon onbetrouwbare fenomeen mens", en ervoor zorgen dat de gebruikte technologie ook bij complexere functies rekening houdt met het ingewikkelde samenspel tussen apparatuur en gebruiker.
Overigens ontwaart Wintzen wel dat steeds meer leveranciers en kopers van computers zich rekenschap geven van die problematiek. De omzetgroei in computerapparatuur mag dan onder de grote concurrentiedruk met 3,2 procent zo langzamerhand even klein zijn geworden als die van de levensmiddelenbranche, de capaciteit van de verkochte apparatuur neemt beduidend sneller toe. Volgens Wintzen wordt dat extra rekenvermogen voor een belangrijk deel opgeslorpt door verbetering van de 'human interface', de manier waarop apparatuur en programmatuur de gebruiker bedieningsaanwijzingen geven.
De teruglopende groei van de uitgaven aan automatisering in het algemeen heeft volgens Wint
zen alles te maken met de complexe verhoudingen tussen computers, mensen en organisaties. "De invoering van nieuwe toepassingen vergt veel tijd. Er wordt meer technologie geproduceerd dan de organisatie kan absorberen."
Koppeling
Naast tekortkomingen in de communicatie tussen mens en machine heeft het onvoldoende benutten van microcomputers in Nederland ook een infrastructurele oorzaak, meent BSO. Uit zijn onderzoek bleek dat van de 395.000 binnen bedrijven werkende microcomputers amper een derde deel (123.000 stuks) gekoppeld is aan een ander computersysteem. Daardoor hoeven basisgegevens slechts eenmaal te worden ingevoerd, waarna ze kunnen worden uitgewisseld voor be- en verwerking op verschillende plaatsen.
Voor 130.000 microcomputers acht Wintzen die 'stand alone-positie' nog gerechtvaardigd, omdat de gebruikers ervan een eenmansbedrijf hebben of de apparatuur inzetten voor zeer specifieke en individuele toepassingen. Maar de resterende 142.000 micro's staan binnen organisaties die wel degelijk profijt van een koppeling met andere computersystemen zouden kunnen hebben.
Het onvermogen van organisaties om die losstaande microcomputers te integreren zei Wintzen als een groot probleem te beschouwen. En hij niet alleen: Volgens het BSO-onderzoek heeft 82 procent van de gebruikers "significante kritiek" op de microcomputer en het gevoel dat er meer mee mogelijk is.

