Over analfabeten en aninformanten; een pleidooi voor structurele veranderingen in het Nederlands ond
Wanneer je in Nederland het woord informatica-onderwijs laat vallen, wordt dat meestal direct geassocieerd met zaken als informatica-universiteit en studies Informatica aan de diverse (meestal technische) universiteiten of Hbo-instellingen. En daarmee is dan ook direct een van de basisproblemen van het onderwerp geschetst: informatica is immers niet uitsluitend een geïsoleerd vakgebied dat aan een of enkele ivoren instituten moet worden onderwezen. De discussie moet dan ook veel breder zijn, want het vak zou een geïntegreerd deel moeten uitmaken van alle mogelijke onderwijsvormen en -richtingen. Hoe zou iemand in deze tijd nog leiding of richting aan een organisatie kunnen geven wanneer zijn kennis van de informatietechnologie niet uitstijgt boven het hobbyjargon van de Commodore-gebruikersclub? Ik vraag me dan ook wel eens af hoe sommige zogenaamde 'captains of industry' het voor elkaar krijgen om te blijven besturen zonder enige informaticakennis; of erger nog-zonder zelfs maar enig inzicht in deze materie. De vergelijking met een 'captain' in de zeevaart die geen enkele meteorologische kennis bezit, ligt voor de hand. Zoals iedere kapitein, klein of groot, met meteorologie heeft te maken, zo heeft iedere lijnverantwoordelijke met informatica te maken. Of zou er toch nog ergens een klein vakgebiedje te bedenken zijn waar dat niet het geval is? Ik denk het niet.
High-tech in onderbroeken
We zijn er in Nederland (en waarschijnlijk in het gehele
Westen) van overtuigd dat onze economische toekomst ligt in
het produceren en leveren van de zogenaamde hoogwaardige
producten en diensten. In feite is dat niets nieuws, want
dankten we onze economische voorsprong in voorgaande decennia
niet aan het feit dat we ooit veel verder waren
gemdustrialiseerd dan de rest van de wereld? En dat dankten
we weer in hoge mate aan het feit dat we kans zagen het
analfabetisme vrijwel volledig uit te roeien. Maar het feit
dat onze bevolking voor het grootste deel uit alfabeten
bestaat, geeft ons nu geen enkele voorsprong meer ten
opzichte van de rest van de wereld (waar overigens het
analfabetisme ook aan het verdwijnen is). Het gevaar van een
substantiële achterstand dreigt zelfs; niet in de vorm
van analfabetisme maar in de vorm van aninformatisme. Hele
groepen in onze samenleving hebben nog geen enkel benul van
de mogelijkheden (laat staan van de gevaren!) van de
informatietechnologie. Een computer is voor hen niet meer dan
een toverdoos die in zijn inwendige overeenkomsten schijnt te
vertonen met een rekenmachine. Door te veel, of zelfs
uitsluitend, aandacht te schenken aan het zogenoemde
informatica-onderwijs in de vorm van gespecialiseerde
opleidingen, dreigen we verzeild te raken in een twee-klassen
maatschappij waarin uitsluitend of wizzkids of nit-wits
bestaan.
Bij de discussie rondom het informatica-onderwijs in Nederland is het dus levensgevaarlijk slechts aan een van de modaliteiten van dat onderwijs te denken. Al even fnuikend is het structurele misverstand dat hightech beperkt zou zijn tot de automatiseringsindustrie, de bio-technologie of bijvoorbeeld de lucht- en ruimtevaart. High-tech komt in vrijwel alle bedrijfssectoren voor. En willen we inderdaad hoogwaardige producten en diensten blijven leveren, dan zal dat ook bitter noodzakelijk zijn. Een Nederlandse textielfabrikant, bijvoorbeeld die er voor zorgt dat hij een verregaand geautomatiseerd productieproces heeft, zodat hij razendsnel op de veranderende mode in-zeg - onderbroeken kan inspelen, zijn voorraden op een absoluut minimum kan handhaven en bovenal een hoge mate van productkwaliteit kan bereiken, is immers evenzeer met high-tech bezig. En in ieder geval komt daarbij in mijn ogen minstens evenveel zogenaamde 'high-tech' kijken als bij de productie van de volgende Nederlandse 'kloon' van een IBM-PC.
Cashflow - versus informatie-analyse
Wanneer we er van uitgaan dat het een van de vele taken van
het onderwijs is om (jonge) mensen voor te bereiden op een
taak in onze samenleving en economie, dan zullen er niet
alleen gespecialiseerde informatica-opleidingen moeten komen.
Natuurlijk is er een zekere behoefte aan echte specialisten
op dit gebied, maar de behoefte aan specialisten op andere
vakgebieden, variërend van personeelsmanagement tot
utiliteitsbouw, die over een gedegen kennis van de
informatica in hun eigen specialisme beschikken, is vele
malen groter. Een personeelsmanager kon vijftien of twintig
jaar geleden de wizz kids van het rekencentrum bellen en zijn
probleem daar voorleggen. Zij bedachten dan wel een list en
losten het probleem-op z'n minst tijdelijk-op. Maar die
streng monolithische automatiseringscultuur is afgebroken.
Informatica is gedecentraliseerd en gedemocratiseerd. Wie in
een organisatie wil sturen en besturen zal moeten weten hoe
hij zijn vingers achter informatie en informatieprocessen kan
krijgen.
We verwachten van een aankomend financieel manager dat hij de wetmatigheden van inflatie en deflatie kent, dat hij weet hoe Keynes en Marx over de wereld dachten. We toetsen die kennis ook voordat wehem of haar diplomeren. Maar wat is zo'n diploma waard, wanneer je er wel een cashflow-analyse voor moet kunnen maken, maar niet eens hoeft te weten wat een informatie-analyse is. Als je er wel een sluitend investeringsplan voor moet kunnen opstellen, maar geen enkel benul hoeft te hebben van wat een informatieplan zou kunnen behelzen?
Als we, met het INSP voorop, al jaren in koor roepen dat informatie een van de belangrijkste produktiefactoren is geworden, dan zullen we toch moeten zorgen dat ons onderwijs ook in de benodigde breedte kennis aandraagt over die productiefactor.
Technologiebeleid is geen kwestie van geld
alleen
De inhoud van het zogenoemde reguliere onderwijs wordt in
hoge mate door de overheid bepaald en die overheid schiet
daarbij naar mijn smaak dus schromelijk tekort. Inmiddels
heeft 'Den Haag' (EZ en o&w) wel onderkend dat er
wat mis is met het technologiebeleid in het algemeen en het
technologie- of informatica-onderwijs in het bijzonder.
Jammer genoeg echter gelooft men daar nog steeds dat het
systeem van aflaatbrieven nog bestaat en probeert men zijn
zonde braaf af te kopen. Voor veel geld worden dure personal
computers aangeschaft en per ijlbode naar willekeurige
scholen gebracht om daar aan de conciërge te worden
afgegeven. En iedere subsidie-aanvrager die slim genoeg is om
in alle formulieren en begeleidende schrijvens veelvuldig het
woord aandachtsgebied en speerpunttechnologie te smokkelen,
verhoogt zijn kansen met tweehonderd procent. Maar
technologiebeleid is niet van geld alleen afhankelijk en
aflaatbrieven maken de zonde niet ongedaan. Er zal
structureel het een en ander moeten veranderen. Wanneer we
ons hier beperken tot het onderwijs, dan zal dat op de
allereerste plaats flexibeler moeten worden. Want hoe kan een
onderwijssysteem nog beantwoorden aan de vraag van de
maatschappij en de economie, wanneer de veranderingen zich
daar in een ongekend hoog tempo voltrekken, terwijl de
reactiesnelheid van het systeem zo langzamerhand letterlijk
tergend traag begint te worden? Het aanpassen van curricula
of leerplannen vergt een eeuwigheid. Zelfs voor de meest
triviale wijziging moet de hele ambtelijke molen in beweging
worden gebracht; compleet met verzoeken, commissies,
bezwaarschriften, in spraakproces duren alle denkbare andere
verschrikkingen.
Hoe oneindig veel sneller de maatschappelijke en technologische ontwikkelingen zich voltrekken in vergelijking tot het reactievermogen van het onderwijs, blijkt duidelijk wanneer we het huidige specialistische informatica-onderwijs beschouwen. Nadat Nederland zowat een decennium later dan de rest van de geciviliseerde wereld eindelijk zijn informatica-onderwijs heeft gekregen, dreigt dat onderwijs nu al weer hopeloos achterop te raken. De informaticabranche nu heeft immers al weer geheel andere behoeften. Zo zijn specalisten met telematicakennis dringend noodzakelijk, is er op veel grotere schaal behoefte aan specialisten in zaken als sociale informatica, computerlinguistiek, informaticarecht, medische informatica, informatie-organisatie en ga zo maar door. Maar in die behoeften kan het huidige informatica-onderwijs amper voldoen. In een branche waarin de technologische ontwikkelingen zich met spreekwoordelijke snelheid voltrekken, past het onderwijs zich slechts tergend langzaam aan. Wanneer een centlale-verwarming naar verhouding even snel zou reageren als ons onderwijssysteem, dan sloeg de kachel pas voor het eerst aan op het moment dat de lente invalt.
Autonomie of het corset van Den Haag
Een absurde situatie natuurlijk; het onderwijs zou juist
snel en alert moeten reageren op veranderingen in de
samenleving. Immers, enige vertraging is toch al
onoverkomelijk omdat de stof die nu aan opleidingsinstituten
wordt gedoceerd pas over enkele jaren door de leerlingen of
studenten in de praktijk zal worden gebracht. Die vertraging
valt niet op te heffen, maar elke verdere vertraging zou
moeten worden voorkomen. Wanneer het onderwijs sneller en
alerter moet reageren, dan is zonder enige twijfel het beste
middel daarvoor een vergroting van de autonomie van de
opleidingsinstituten. Met name in het hoger onderwijs. Op die
manier worden immers de remmende of blokkerende commissies,
overlegorganen en andere verschrikkingen omzeild. Het huidige
Nederlandse bestel is daar amper op berekend en alleen al bij
het idee grijpt een aantal ambtenaren in Den Haag naar de
valiumpot. Het meest gehoorde tegenargument uit hun mond is
het sluimerende 'gevaar' van ongelijkheid tussen de
verschillende onderwijsinstituten. En dan vraag ik me direct
af waarom dat eigenlijk een gevaar zou zijn. Wanneer ze meer
autonoom zijn, zou de ene universiteit inderdaad wel eens
betere informatici, pedagogen of juristen kunnen gaan
afleveren dan de andere. Maar welk feitelijk bezwaar kleeft
daaraan? Inderdaad zal de waardering voor een bepaalde titel
niet meer universeel zijn, maar zal men meteen willen weten
waar die behaald is. Die situatie kennen we ook in diverse
andere landen; een MsA-titel zegt op zich weinig, maar krijgt
zijn waarde pas wanneer hij aan een bepaald instituut is
behaald. In de praktijk blijkt daarmee zelfs in landen waar
men vele malen meer onderwijsinstellingen heeft dan in ons
kleine landje goed te leven. Grotere autonomie zal er
natuurlijk ook toe leiden dat het aanbod voor een bepaalde
studierichting bij sommige universiteiten gaat toenemen,
omdat die opleiding daar als erg goed bekend komt te staan.
Andere universiteiten zullen dan op die ontwikkeling moeten
reageren door hun eigen curricula aan te passen, of zich
bijvoorbeeld op een ander gebied te specialiseren. In ieder
geval zal het kwaliteitsbesef binnen het onderwijs drastisch
stijgen. Tenminste, wanneer we gelijktijdig ook het principe
loslaten dat de overheid het aanbod van studenten reguleert
en over de universiteiten verdeelt. Is het toewijzen of min
of meer willekeurig verdelen van studenten over de diverse
centra, zoals dat nu gebeurt, in feite niet een werkwijze die
alle betrokkenen wel onverschillig moer maken ten aanzien van
hun eigen kwaliteit? Wat zou er met een economie en de
kwaliteit van zijn producten gebeuren, wanneer de overheid
voor het bedrijfsleven zou bepalen hoeveel klanten ieder
bedrijf krijgt? En wanneer de kwaliteit die het bedrijf
levert weliswaar wordt 'gecontroleerd' door
inspecteurs, maar vervolgens geen enkele invloed heeft op het
aantal klanten dat men in het volgende jaar krijgt? Sterker
nog, wanneer die bedrijven op vrijwel geen enkele manier met
hun klanten zouden kunnen of mogen praten over de kwaliteit
die ze leveren. Het lijkt een volledig irreële en
ridicule situatie.
Maar het is exact de situatie waarin ons onderwijssysteem zich momenteel bevindt. Alle goede bedoelingen van een aantal individuen ten spijt, heeft het systeem zichzelf opgesloten in een te strak corset dat ieders bewegingsvrijheid belemmert en langzaam maar zeker tot verstikkingsverschijnselen zal leiden. Grotere autonomie zal de reactiesnelheid van het onderwijs dramatisch verhogen en alleen al daardoor de kwaliteit verbeteren. Er zal echter ook enige ongelijkheid gaan ontstaan; de vraag is echter of dat betreurenswaardig is. Is het niet beter te weten dat zich ook excellente instituten kunnen ontwikkelen dan de garantie te hebben dat er tot in lengte van dagen een uniforme grauwsluier van middelmatigheid over het systeem zal liggen?
Personeelsbeleid versus kwaliteit
En hoewel ik inmiddels al op basis van het voorgaande
bestempeld zal zijn als een aartsliberaal, wil ik ook nog het
volgende heilige onderwijshuisje omverschoppen: het
personeelsbeleid. De kwaliteit van een organisatie, zeker van
een dienstverlenende organisatie zoals een
onderwijsinstelling per definitie is, is voor een zeer
aanzienlijk deel afhankelijk van de kwaliteit die de
individuele medewerkers kunnen en willen leveren. Hoe kan
zo'n organisatie ooit enige mate van kwaliteit
garanderen, wanneer de belangrijkste maatstaf bij het
personeelsbeleid het aantal dienstjaren is? Je hoeft geen
psycholoog te zijn om te weten dat mensen gevoelig zijn voor
beloningen en 'sancties'. De enige beloning die het
onderwijssysteem kent is het salaris. Dat op zich is al
triest (zeker gezien het gemiddelde niveau), maar de hoogte
van dat salaris is ook nog eens volledig vastgelegd in een
serie regels, artikelen en bepalingen, waarvan vrijwel niet
valt af te wijken maar waarin het woord kwaliteit evident te
weinig voorkomt. De enige sanctie die men kent, is het
ontslag, maar de indruk begint zich bij mij steeds meer op te
dringen dat daarnaar alleen wordt gegrepen in gevallen van
het type 'ontucht' of 'mishandeling' en ze
kerniet bij gebleken incompetentie. Zou er in het
bedrijfsleven een manager te vinden zijn die onder dergelijke
condities de verantwoordelijkheid voor het kwaliteitsbeleid
van de organisatie voor zijn rekening wil nemen? Toch is dat
wat we dagelijks van de leidinggevenden in het onderwijs
verlangen: kwaliteit leveren zonder reele invloed op de
belangrijkste kwaliteitsfactor te kunnen uitoefenen. Contact
met afnemers Een derde vereiste om tot een hogere kwaliteit
en flexibiliteit binnen het onderwijs te komen, is de
verbetering van de interactie met de afnemers van het
onderwijsprodukt. Momenteel gaat die interactie niet veel
verder dan het uitvoeren van opdrachten in het kader van
contractresearch door grote bedrijven. Beter overleg met die
'afnemer' (en dat is niet alleen het commerciële
bedrijfsleven, het zijn evenzeer andere overheidsinstellingen
en voor een deel is het ook het onderwijs zelf) zal
ongetwijfeld de kwaliteit van het produkt meer ten goede
komen dan het werk van vele vage commissies. Daarmee bedoel
ik geenszins dat ondernemers enige directe formele inspraak
of zeggenschap zouden moeten hebben in de opstelling van
onderwijsleerplannen. Maar alleen met een direct
feedbackmechanisme kan de onderwijsorganisatie inspelen op de
behoefte van zijn afnemers. Wordt het niet de allerhoogste
tijd om regelmatig te rade te gaan bij de gebruikers van de
dienst; bedrijven zowel als instellingen die ex-studenten of
-leerlingen in dienst hebben genomen. En men zou eens te rade
moeten gaan bij de voormalige studenten zelf; wat zijn hun
ervaringen geweest in de praktijk? Wat missen ze achteraf in
hun opleiding waar zien ze voorsprongen op anderen?
Het directe contact tussen de onderwijsinstelling en zijn 'klanten' in combinatie met de mogelijkheid om op basis van de resultaten van dat contact ook maatregelen te nemen zou de kwaliteit van het onderwijs sterk kunnen verbeteren. Het onderwijs is - uiteraard samen met andere overheidsinstellingen-het enige bedrijf dat ik ken dat met een miljardenomzet kennelijk kan overleven zonder ooit serieus en regelmatig met zijn klanten te praten!
Technologie-onderwijs vanaf de basisschool
Zoals al eerder betoogd, is informatica-onderwijs geen
kwestie van universitaire opleidingen 'informatica'
alleen. Integendeel zelfs. Evenmin denk ik dat het verstandig
is om de informatietechnologie geïsoleerd te beschouwen;
het is immers slechts een van de vele technologieën in
onze samenleving; een belangrijke weliswaar, maar niet de
enige. Al in het basisonderwijs zou technologie in het
algemeen-en informatietechnologie in het bijzonder-moeten
worden opgenomen. Omdat het hoort bij de kennis van de wereld
die daar moet worden overgedragen, omdat zo het denkproces
kan worden gestimuleerd en niet in de laatste plaats omdat
daardoor aanleg en interesse vroegtijdig kunnen worden
onderkend of gewekt. En het is een blijk van groot onbegrip
wanneer iemand beweert dat technologie de creativiteit van
kinderen zou remmen. De moderne technologieën, ook
wanneer die gepresenteerd worden op het niveau van een
basisschoolleerling, vereisen juist creativiteit en zullen
die (dus) ook stimuleren. Dodelijk voor de creativiteit zij n
'domme ' opwindautootje es die uitsluitend in rechte
lijnen of cirkeltjes kunnen rijden en incompetente onderwijs
geven die uitsluitend worden gehandhaafd, omdat ze niet
kunnen worden ontslagen. Ik ben er in ieder geval van
overtuigd dat werken met bijvoorbeeld technisch lego de
creativiteit in de meeste gevalen meer zal stimuleren dan het
kijken naar een of ander zogenaamd educatief
televisieprogramma.
Informatietechnologie naar het basisonderwijs brengen is natuurlijk wel even iets anders dan een paar computers dumpen bij de conciërge. Gelukkig is er wel koren onder het kaf: er is een aantal projecten waarbij op zeer verantwoorde wijze informatietechnologie in een breder verband binnen het (basis)onderwijs wordt behandeld. Daar heeft men ook gezien dat het niet allemaal alleen maar om 'de computer' draait. Beginnen bij computers is zelfs hoogst ongewenst! Men zou moeten beginnen bij de basisprincipes van de techniek en logica. Kinderen blijken met enige stimulering en spelenderwijs een opmerkelijk groot begrip te kunnen opbrengen voor wat een apparaat is en wat een apparaat kan doen. Zo breng je de basisvoorwaarden aan waarop in latere fasen van het onderwijs kan worden doorgeborduurd. Dergelijk technologie-onderwijs zou volgens mijn berekeningen per leerling circa vijfentachtig gulden per jaar gaan kosten. Onze minister zei mij dat hij daar toch de fondsen niet voor heeft, maar men mag zich afvragen hoeveel geld inmiddels door diverse commissies, overlegorganen en stafdiensten is verslonden en hoe dit zich bijvoorbeeld verhoudt tot het budget voor het schoolzwemmen.
In het middelbaar onderwijs is de situatie al niet veel beter. Ook daar worden onder het mom van de informatica- of technologiestimulering met enige regelmaat bestelwagens met computers in de gang geleegd. Maar alleen wanneer er toevallig een zeer geïnteresseerde en enthousiaste docent in de buurt is, wordt er ook nog enigszins zinnig mee gewerkt. Van een structurele aanpak is nog geen sprake; laat staan van een verplichting om minimaal de basiskennis te verwerven of van een (gedifferentieerd) examen informatiekunde. Zo'n verplichting hoeft geenszins te betekenen dat alle middelbare schoolleerlingen moeten worden klaargestoomd tot programmeurs; integendeel}. Maar door het gehele reguliere onderwijs zal aandacht moeten worden geschonken aan informatica met de mogelijkheid van differentiatie. We hoeven immers ook niet allemaal evenveel Natuurkunde of Frans in ons pakket te hebben. En in een universitaire studie onderscheiden we ook hoofd- en bijvakken. In plaats van het verplicht stellen van het vak wiskunde, zoals de minister van Onderwijs dat onlangs voorstelde, lijkt mij het vak informatica als verplichting een veel zinniger zaak. De (terechte?) kritiek van de Adviesraad voor het Hoger Onderwijs dat het directe belang van wiskunde voor de verschillende studierichtingen niet duidelijk is, zal voor informatica in ieder geval niet kunnen gelden.
De maatschappelijke behoefte en de taak van het
bedrijfsleven
Willen we kunnen voldoen in de behoefte die onze
maatschappij heeft aan mensen die op verantwoorde wijze weten
om te gaan met moderne technologie, dan zal het reguliere
onderwijs in al zijn vormen en geledingen drastisch moeten
veranderen. De overheid is daarvoor uiteraard de
eerst-verantwoordelijke, maar dat neemt niet weg dat er ook
voor het bedrijfsleven een taak is weggelegd. Ondernemers
zullen zich, meer dan tot op heden het geval is, moeten
realiseren dat de technologie dusdanig snel verandert dat de
kennis waarmee iemand intreedt in het arbeidsproces binnen-
tien jaar volledig is achterhaald. Dus zullen we meer
aandacht moeten geven aan voortdurende educatie van alle
medewerkers. Dat lukt niet alleen met interne trainingen of
opleidingen en cursussen bij particuliere
opleidingsinstituten. Samenwerking met het reguliere
onderwijs is gewenst en ook mogelijk. Daar zit immers een
schat aan kennis en ervaring op het theoretische en
pedagogische vlak. En die samenwerking zal juist leiden tot
de zo noodzakelijke kruisbestuiving. Daarbij wil ik echter
wel nadrukkelijk stellen dat ik geen pleidooi wil houden voor
een onderwijssysteem dat zich uitsluitend richt op de
economisch-maatschappelijke behoefte en dat voorbij zou gaan
aan het feit dat er ook 'ongebonden' wetenschap moet
worden bedreven. Integendeel zelfs; maar wel kan men daarbij
bijvoorbeeld een beter contact opbouwen met de uiteindelijke
'gebruikers' van het systeem. Zo'n opleiding zou
volledig binnen het reguliere onderwijs vallen, maar er is
wel sprake van een nauwe binding met het bedrijfsleven. De
cursisten komen uit het bedrijfsleven, de leerstof is in nauw
overleg met diverse bedrijven en organisaties samengesteld en
ook de docenten zijn voor een deel direct uit dat
bedrijfsleven afkomstig. Zo'n aanpak, in combinatie met
een opzet waarbij de werkgever in de regel (een deel van) de
kosten draagt en de student/werknemer zijn tijd inbrengt, is
in mijn ogen veel en veel zinvoller dan de oprichting van een
onbetaalbare, dure informaticauniversiteit die super-goeroes
zou moeten leveren en waarvoor de investeringen niet alleen
vanwege de kosten (full-time studie voor mensen die reeds een
baan hebben) een onoverkomelijk bezwaar zullen vormen.
Nederland heeft ook niet zozeer behoefte aan een mooie
informatica-universiteit; we hebben behoefte aan
kwaliteitsonderwijs dat in alle geledingen en vormen flexibel
kan inspelen op onze maatschappelijke en economische
behoefte.

