ECKARTS NOTES. Click here to read more and order!

Over analfabeten en aninformanten; een pleidooi voor structurele veranderingen in het Nederlands ond

Oct 01, 1988 (Informatie , Eckart Wintzen )

Wanneer je in Nederland het woord informatica-onderwijs laat vallen, wordt dat meestal direct geassocieerd met zaken als informatica-universiteit en studies Informatica aan de diverse (meestal technische) universiteiten of Hbo-instellingen. En daarmee is dan ook direct een van de basisproblemen van het onderwerp geschetst: informatica is immers niet uitsluitend een geïsoleerd vakgebied dat aan een of enkele ivoren instituten moet worden onderwezen. De discussie moet dan ook veel breder zijn, want het vak zou een geïntegreerd deel moeten uitmaken van alle mogelijke onderwijsvormen en -richtingen. Hoe zou iemand in deze tijd nog leiding of richting aan een organisatie kunnen geven wanneer zijn kennis van de informatietechnologie niet uitstijgt boven het hobbyjargon van de Commodore-gebruikersclub? Ik vraag me dan ook wel eens af hoe sommige zogenaamde 'captains of industry' het voor elkaar krijgen om te blijven besturen zonder enige informaticakennis; of erger nog-zonder zelfs maar enig inzicht in deze materie. De vergelijking met een 'captain' in de zeevaart die geen enkele meteorologische kennis bezit, ligt voor de hand. Zoals iedere kapitein, klein of groot, met meteorologie heeft te maken, zo heeft iedere lijnverantwoordelijke met informatica te maken. Of zou er toch nog ergens een klein vakgebiedje te bedenken zijn waar dat niet het geval is? Ik denk het niet.

High-tech in onderbroeken
We zijn er in Nederland (en waarschijnlijk in het gehele Westen) van overtuigd dat onze economische toekomst ligt in het produceren en leveren van de zogenaamde hoogwaardige producten en diensten. In feite is dat niets nieuws, want dankten we onze economische voorsprong in voorgaande decennia niet aan het feit dat we ooit veel verder waren gemdustrialiseerd dan de rest van de wereld? En dat dankten we weer in hoge mate aan het feit dat we kans zagen het analfabetisme vrijwel volledig uit te roeien. Maar het feit dat onze bevolking voor het grootste deel uit alfabeten bestaat, geeft ons nu geen enkele voorsprong meer ten opzichte van de rest van de wereld (waar overigens het analfabetisme ook aan het verdwijnen is). Het gevaar van een substantiële achterstand dreigt zelfs; niet in de vorm van analfabetisme maar in de vorm van aninformatisme. Hele groepen in onze samenleving hebben nog geen enkel benul van de mogelijkheden (laat staan van de gevaren!) van de informatietechnologie. Een computer is voor hen niet meer dan een toverdoos die in zijn inwendige overeenkomsten schijnt te vertonen met een rekenmachine. Door te veel, of zelfs uitsluitend, aandacht te schenken aan het zogenoemde informatica-onderwijs in de vorm van gespecialiseerde opleidingen, dreigen we verzeild te raken in een twee-klassen maatschappij waarin uitsluitend of wizzkids of nit-wits bestaan.

Bij de discussie rondom het informatica-onderwijs in Nederland is het dus levensgevaarlijk slechts aan een van de modaliteiten van dat onderwijs te denken. Al even fnuikend is het structurele misverstand dat hightech beperkt zou zijn tot de automatiseringsindustrie, de bio-technologie of bijvoorbeeld de lucht- en ruimtevaart. High-tech komt in vrijwel alle bedrijfssectoren voor. En willen we inderdaad hoogwaardige producten en diensten blijven leveren, dan zal dat ook bitter noodzakelijk zijn. Een Nederlandse textielfabrikant, bijvoorbeeld die er voor zorgt dat hij een verregaand geautomatiseerd productieproces heeft, zodat hij razendsnel op de veranderende mode in-zeg - onderbroeken kan inspelen, zijn voorraden op een absoluut minimum kan handhaven en bovenal een hoge mate van productkwaliteit kan bereiken, is immers evenzeer met high-tech bezig. En in ieder geval komt daarbij in mijn ogen minstens evenveel zogenaamde 'high-tech' kijken als bij de productie van de volgende Nederlandse 'kloon' van een IBM-PC.

Cashflow - versus informatie-analyse
Wanneer we er van uitgaan dat het een van de vele taken van het onderwijs is om (jonge) mensen voor te bereiden op een taak in onze samenleving en economie, dan zullen er niet alleen gespecialiseerde informatica-opleidingen moeten komen. Natuurlijk is er een zekere behoefte aan echte specialisten op dit gebied, maar de behoefte aan specialisten op andere vakgebieden, variërend van personeelsmanagement tot utiliteitsbouw, die over een gedegen kennis van de informatica in hun eigen specialisme beschikken, is vele malen groter. Een personeelsmanager kon vijftien of twintig jaar geleden de wizz kids van het rekencentrum bellen en zijn probleem daar voorleggen. Zij bedachten dan wel een list en losten het probleem-op z'n minst tijdelijk-op. Maar die streng monolithische automatiseringscultuur is afgebroken. Informatica is gedecentraliseerd en gedemocratiseerd. Wie in een organisatie wil sturen en besturen zal moeten weten hoe hij zijn vingers achter informatie en informatieprocessen kan krijgen.

We verwachten van een aankomend financieel manager dat hij de wetmatigheden van inflatie en deflatie kent, dat hij weet hoe Keynes en Marx over de wereld dachten. We toetsen die kennis ook voordat wehem of haar diplomeren. Maar wat is zo'n diploma waard, wanneer je er wel een cashflow-analyse voor moet kunnen maken, maar niet eens hoeft te weten wat een informatie-analyse is. Als je er wel een sluitend investeringsplan voor moet kunnen opstellen, maar geen enkel benul hoeft te hebben van wat een informatieplan zou kunnen behelzen?

Als we, met het INSP voorop, al jaren in koor roepen dat informatie een van de belangrijkste produktiefactoren is geworden, dan zullen we toch moeten zorgen dat ons onderwijs ook in de benodigde breedte kennis aandraagt over die productiefactor.

Technologiebeleid is geen kwestie van geld alleen
De inhoud van het zogenoemde reguliere onderwijs wordt in hoge mate door de overheid bepaald en die overheid schiet daarbij naar mijn smaak dus schromelijk tekort. Inmiddels heeft 'Den Haag' (EZ en o&w) wel onderkend dat er wat mis is met het technologiebeleid in het algemeen en het technologie- of informatica-onderwijs in het bijzonder. Jammer genoeg echter gelooft men daar nog steeds dat het systeem van aflaatbrieven nog bestaat en probeert men zijn zonde braaf af te kopen. Voor veel geld worden dure personal computers aangeschaft en per ijlbode naar willekeurige scholen gebracht om daar aan de conciërge te worden afgegeven. En iedere subsidie-aanvrager die slim genoeg is om in alle formulieren en begeleidende schrijvens veelvuldig het woord aandachtsgebied en speerpunttechnologie te smokkelen, verhoogt zijn kansen met tweehonderd procent. Maar technologiebeleid is niet van geld alleen afhankelijk en aflaatbrieven maken de zonde niet ongedaan. Er zal structureel het een en ander moeten veranderen. Wanneer we ons hier beperken tot het onderwijs, dan zal dat op de allereerste plaats flexibeler moeten worden. Want hoe kan een onderwijssysteem nog beantwoorden aan de vraag van de maatschappij en de economie, wanneer de veranderingen zich daar in een ongekend hoog tempo voltrekken, terwijl de reactiesnelheid van het systeem zo langzamerhand letterlijk tergend traag begint te worden? Het aanpassen van curricula of leerplannen vergt een eeuwigheid. Zelfs voor de meest triviale wijziging moet de hele ambtelijke molen in beweging worden gebracht; compleet met verzoeken, commissies, bezwaarschriften, in spraakproces duren alle denkbare andere verschrikkingen.

Hoe oneindig veel sneller de maatschappelijke en technologische ontwikkelingen zich voltrekken in vergelijking tot het reactievermogen van het onderwijs, blijkt duidelijk wanneer we het huidige specialistische informatica-onderwijs beschouwen. Nadat Nederland zowat een decennium later dan de rest van de geciviliseerde wereld eindelijk zijn informatica-onderwijs heeft gekregen, dreigt dat onderwijs nu al weer hopeloos achterop te raken. De informaticabranche nu heeft immers al weer geheel andere behoeften. Zo zijn specalisten met telematicakennis dringend noodzakelijk, is er op veel grotere schaal behoefte aan specialisten in zaken als sociale informatica, computerlinguistiek, informaticarecht, medische informatica, informatie-organisatie en ga zo maar door. Maar in die behoeften kan het huidige informatica-onderwijs amper voldoen. In een branche waarin de technologische ontwikkelingen zich met spreekwoordelijke snelheid voltrekken, past het onderwijs zich slechts tergend langzaam aan. Wanneer een centlale-verwarming naar verhouding even snel zou reageren als ons onderwijssysteem, dan sloeg de kachel pas voor het eerst aan op het moment dat de lente invalt.

Autonomie of het corset van Den Haag
Een absurde situatie natuurlijk; het onderwijs zou juist snel en alert moeten reageren op veranderingen in de samenleving. Immers, enige vertraging is toch al onoverkomelijk omdat de stof die nu aan opleidingsinstituten wordt gedoceerd pas over enkele jaren door de leerlingen of studenten in de praktijk zal worden gebracht. Die vertraging valt niet op te heffen, maar elke verdere vertraging zou moeten worden voorkomen. Wanneer het onderwijs sneller en alerter moet reageren, dan is zonder enige twijfel het beste middel daarvoor een vergroting van de autonomie van de opleidingsinstituten. Met name in het hoger onderwijs. Op die manier worden immers de remmende of blokkerende commissies, overlegorganen en andere verschrikkingen omzeild. Het huidige Nederlandse bestel is daar amper op berekend en alleen al bij het idee grijpt een aantal ambtenaren in Den Haag naar de valiumpot. Het meest gehoorde tegenargument uit hun mond is het sluimerende 'gevaar' van ongelijkheid tussen de verschillende onderwijsinstituten. En dan vraag ik me direct af waarom dat eigenlijk een gevaar zou zijn. Wanneer ze meer autonoom zijn, zou de ene universiteit inderdaad wel eens betere informatici, pedagogen of juristen kunnen gaan afleveren dan de andere. Maar welk feitelijk bezwaar kleeft daaraan? Inderdaad zal de waardering voor een bepaalde titel niet meer universeel zijn, maar zal men meteen willen weten waar die behaald is. Die situatie kennen we ook in diverse andere landen; een MsA-titel zegt op zich weinig, maar krijgt zijn waarde pas wanneer hij aan een bepaald instituut is behaald. In de praktijk blijkt daarmee zelfs in landen waar men vele malen meer onderwijsinstellingen heeft dan in ons kleine landje goed te leven. Grotere autonomie zal er natuurlijk ook toe leiden dat het aanbod voor een bepaalde studierichting bij sommige universiteiten gaat toenemen, omdat die opleiding daar als erg goed bekend komt te staan. Andere universiteiten zullen dan op die ontwikkeling moeten reageren door hun eigen curricula aan te passen, of zich bijvoorbeeld op een ander gebied te specialiseren. In ieder geval zal het kwaliteitsbesef binnen het onderwijs drastisch stijgen. Tenminste, wanneer we gelijktijdig ook het principe loslaten dat de overheid het aanbod van studenten reguleert en over de universiteiten verdeelt. Is het toewijzen of min of meer willekeurig verdelen van studenten over de diverse centra, zoals dat nu gebeurt, in feite niet een werkwijze die alle betrokkenen wel onverschillig moer maken ten aanzien van hun eigen kwaliteit? Wat zou er met een economie en de kwaliteit van zijn producten gebeuren, wanneer de overheid voor het bedrijfsleven zou bepalen hoeveel klanten ieder bedrijf krijgt? En wanneer de kwaliteit die het bedrijf levert weliswaar wordt 'gecontroleerd' door inspecteurs, maar vervolgens geen enkele invloed heeft op het aantal klanten dat men in het volgende jaar krijgt? Sterker nog, wanneer die bedrijven op vrijwel geen enkele manier met hun klanten zouden kunnen of mogen praten over de kwaliteit die ze leveren. Het lijkt een volledig irreële en ridicule situatie.

Maar het is exact de situatie waarin ons onderwijssysteem zich momenteel bevindt. Alle goede bedoelingen van een aantal individuen ten spijt, heeft het systeem zichzelf opgesloten in een te strak corset dat ieders bewegingsvrijheid belemmert en langzaam maar zeker tot verstikkingsverschijnselen zal leiden. Grotere autonomie zal de reactiesnelheid van het onderwijs dramatisch verhogen en alleen al daardoor de kwaliteit verbeteren. Er zal echter ook enige ongelijkheid gaan ontstaan; de vraag is echter of dat betreurenswaardig is. Is het niet beter te weten dat zich ook excellente instituten kunnen ontwikkelen dan de garantie te hebben dat er tot in lengte van dagen een uniforme grauwsluier van middelmatigheid over het systeem zal liggen?

Personeelsbeleid versus kwaliteit
En hoewel ik inmiddels al op basis van het voorgaande bestempeld zal zijn als een aartsliberaal, wil ik ook nog het volgende heilige onderwijshuisje omverschoppen: het personeelsbeleid. De kwaliteit van een organisatie, zeker van een dienstverlenende organisatie zoals een onderwijsinstelling per definitie is, is voor een zeer aanzienlijk deel afhankelijk van de kwaliteit die de individuele medewerkers kunnen en willen leveren. Hoe kan zo'n organisatie ooit enige mate van kwaliteit garanderen, wanneer de belangrijkste maatstaf bij het personeelsbeleid het aantal dienstjaren is? Je hoeft geen psycholoog te zijn om te weten dat mensen gevoelig zijn voor beloningen en 'sancties'. De enige beloning die het onderwijssysteem kent is het salaris. Dat op zich is al triest (zeker gezien het gemiddelde niveau), maar de hoogte van dat salaris is ook nog eens volledig vastgelegd in een serie regels, artikelen en bepalingen, waarvan vrijwel niet valt af te wijken maar waarin het woord kwaliteit evident te weinig voorkomt. De enige sanctie die men kent, is het ontslag, maar de indruk begint zich bij mij steeds meer op te dringen dat daarnaar alleen wordt gegrepen in gevallen van het type 'ontucht' of 'mishandeling' en ze kerniet bij gebleken incompetentie. Zou er in het bedrijfsleven een manager te vinden zijn die onder dergelijke condities de verantwoordelijkheid voor het kwaliteitsbeleid van de organisatie voor zijn rekening wil nemen? Toch is dat wat we dagelijks van de leidinggevenden in het onderwijs verlangen: kwaliteit leveren zonder reele invloed op de belangrijkste kwaliteitsfactor te kunnen uitoefenen. Contact met afnemers Een derde vereiste om tot een hogere kwaliteit en flexibiliteit binnen het onderwijs te komen, is de verbetering van de interactie met de afnemers van het onderwijsprodukt. Momenteel gaat die interactie niet veel verder dan het uitvoeren van opdrachten in het kader van contractresearch door grote bedrijven. Beter overleg met die 'afnemer' (en dat is niet alleen het commerciële bedrijfsleven, het zijn evenzeer andere overheidsinstellingen en voor een deel is het ook het onderwijs zelf) zal ongetwijfeld de kwaliteit van het produkt meer ten goede komen dan het werk van vele vage commissies. Daarmee bedoel ik geenszins dat ondernemers enige directe formele inspraak of zeggenschap zouden moeten hebben in de opstelling van onderwijsleerplannen. Maar alleen met een direct feedbackmechanisme kan de onderwijsorganisatie inspelen op de behoefte van zijn afnemers. Wordt het niet de allerhoogste tijd om regelmatig te rade te gaan bij de gebruikers van de dienst; bedrijven zowel als instellingen die ex-studenten of -leerlingen in dienst hebben genomen. En men zou eens te rade moeten gaan bij de voormalige studenten zelf; wat zijn hun ervaringen geweest in de praktijk? Wat missen ze achteraf in hun opleiding waar zien ze voorsprongen op anderen?

Het directe contact tussen de onderwijsinstelling en zijn 'klanten' in combinatie met de mogelijkheid om op basis van de resultaten van dat contact ook maatregelen te nemen zou de kwaliteit van het onderwijs sterk kunnen verbeteren. Het onderwijs is - uiteraard samen met andere overheidsinstellingen-het enige bedrijf dat ik ken dat met een miljardenomzet kennelijk kan overleven zonder ooit serieus en regelmatig met zijn klanten te praten!

Technologie-onderwijs vanaf de basisschool
Zoals al eerder betoogd, is informatica-onderwijs geen kwestie van universitaire opleidingen 'informatica' alleen. Integendeel zelfs. Evenmin denk ik dat het verstandig is om de informatietechnologie geïsoleerd te beschouwen; het is immers slechts een van de vele technologieën in onze samenleving; een belangrijke weliswaar, maar niet de enige. Al in het basisonderwijs zou technologie in het algemeen-en informatietechnologie in het bijzonder-moeten worden opgenomen. Omdat het hoort bij de kennis van de wereld die daar moet worden overgedragen, omdat zo het denkproces kan worden gestimuleerd en niet in de laatste plaats omdat daardoor aanleg en interesse vroegtijdig kunnen worden onderkend of gewekt. En het is een blijk van groot onbegrip wanneer iemand beweert dat technologie de creativiteit van kinderen zou remmen. De moderne technologieën, ook wanneer die gepresenteerd worden op het niveau van een basisschoolleerling, vereisen juist creativiteit en zullen die (dus) ook stimuleren. Dodelijk voor de creativiteit zij n 'domme ' opwindautootje es die uitsluitend in rechte lijnen of cirkeltjes kunnen rijden en incompetente onderwijs geven die uitsluitend worden gehandhaafd, omdat ze niet kunnen worden ontslagen. Ik ben er in ieder geval van overtuigd dat werken met bijvoorbeeld technisch lego de creativiteit in de meeste gevalen meer zal stimuleren dan het kijken naar een of ander zogenaamd educatief televisieprogramma.

Informatietechnologie naar het basisonderwijs brengen is natuurlijk wel even iets anders dan een paar computers dumpen bij de conciërge. Gelukkig is er wel koren onder het kaf: er is een aantal projecten waarbij op zeer verantwoorde wijze informatietechnologie in een breder verband binnen het (basis)onderwijs wordt behandeld. Daar heeft men ook gezien dat het niet allemaal alleen maar om 'de computer' draait. Beginnen bij computers is zelfs hoogst ongewenst! Men zou moeten beginnen bij de basisprincipes van de techniek en logica. Kinderen blijken met enige stimulering en spelenderwijs een opmerkelijk groot begrip te kunnen opbrengen voor wat een apparaat is en wat een apparaat kan doen. Zo breng je de basisvoorwaarden aan waarop in latere fasen van het onderwijs kan worden doorgeborduurd. Dergelijk technologie-onderwijs zou volgens mijn berekeningen per leerling circa vijfentachtig gulden per jaar gaan kosten. Onze minister zei mij dat hij daar toch de fondsen niet voor heeft, maar men mag zich afvragen hoeveel geld inmiddels door diverse commissies, overlegorganen en stafdiensten is verslonden en hoe dit zich bijvoorbeeld verhoudt tot het budget voor het schoolzwemmen.

In het middelbaar onderwijs is de situatie al niet veel beter. Ook daar worden onder het mom van de informatica- of technologiestimulering met enige regelmaat bestelwagens met computers in de gang geleegd. Maar alleen wanneer er toevallig een zeer geïnteresseerde en enthousiaste docent in de buurt is, wordt er ook nog enigszins zinnig mee gewerkt. Van een structurele aanpak is nog geen sprake; laat staan van een verplichting om minimaal de basiskennis te verwerven of van een (gedifferentieerd) examen informatiekunde. Zo'n verplichting hoeft geenszins te betekenen dat alle middelbare schoolleerlingen moeten worden klaargestoomd tot programmeurs; integendeel}. Maar door het gehele reguliere onderwijs zal aandacht moeten worden geschonken aan informatica met de mogelijkheid van differentiatie. We hoeven immers ook niet allemaal evenveel Natuurkunde of Frans in ons pakket te hebben. En in een universitaire studie onderscheiden we ook hoofd- en bijvakken. In plaats van het verplicht stellen van het vak wiskunde, zoals de minister van Onderwijs dat onlangs voorstelde, lijkt mij het vak informatica als verplichting een veel zinniger zaak. De (terechte?) kritiek van de Adviesraad voor het Hoger Onderwijs dat het directe belang van wiskunde voor de verschillende studierichtingen niet duidelijk is, zal voor informatica in ieder geval niet kunnen gelden.

De maatschappelijke behoefte en de taak van het bedrijfsleven
Willen we kunnen voldoen in de behoefte die onze maatschappij heeft aan mensen die op verantwoorde wijze weten om te gaan met moderne technologie, dan zal het reguliere onderwijs in al zijn vormen en geledingen drastisch moeten veranderen. De overheid is daarvoor uiteraard de eerst-verantwoordelijke, maar dat neemt niet weg dat er ook voor het bedrijfsleven een taak is weggelegd. Ondernemers zullen zich, meer dan tot op heden het geval is, moeten realiseren dat de technologie dusdanig snel verandert dat de kennis waarmee iemand intreedt in het arbeidsproces binnen- tien jaar volledig is achterhaald. Dus zullen we meer aandacht moeten geven aan voortdurende educatie van alle medewerkers. Dat lukt niet alleen met interne trainingen of opleidingen en cursussen bij particuliere opleidingsinstituten. Samenwerking met het reguliere onderwijs is gewenst en ook mogelijk. Daar zit immers een schat aan kennis en ervaring op het theoretische en pedagogische vlak. En die samenwerking zal juist leiden tot de zo noodzakelijke kruisbestuiving. Daarbij wil ik echter wel nadrukkelijk stellen dat ik geen pleidooi wil houden voor een onderwijssysteem dat zich uitsluitend richt op de economisch-maatschappelijke behoefte en dat voorbij zou gaan aan het feit dat er ook 'ongebonden' wetenschap moet worden bedreven. Integendeel zelfs; maar wel kan men daarbij bijvoorbeeld een beter contact opbouwen met de uiteindelijke 'gebruikers' van het systeem. Zo'n opleiding zou volledig binnen het reguliere onderwijs vallen, maar er is wel sprake van een nauwe binding met het bedrijfsleven. De cursisten komen uit het bedrijfsleven, de leerstof is in nauw overleg met diverse bedrijven en organisaties samengesteld en ook de docenten zijn voor een deel direct uit dat bedrijfsleven afkomstig. Zo'n aanpak, in combinatie met een opzet waarbij de werkgever in de regel (een deel van) de kosten draagt en de student/werknemer zijn tijd inbrengt, is in mijn ogen veel en veel zinvoller dan de oprichting van een onbetaalbare, dure informaticauniversiteit die super-goeroes zou moeten leveren en waarvoor de investeringen niet alleen vanwege de kosten (full-time studie voor mensen die reeds een baan hebben) een onoverkomelijk bezwaar zullen vormen. Nederland heeft ook niet zozeer behoefte aan een mooie informatica-universiteit; we hebben behoefte aan kwaliteitsonderwijs dat in alle geledingen en vormen flexibel kan inspelen op onze maatschappelijke en economische behoefte.

» Article index